IFFR, of dansen op de vulkaan

Nonchalant hip, zo zou ik de kledingstijl van de bezoekers van de openingsavond van het Internationaal Film Festival Rotterdam beschrijven. Dragen de dames op het boekenbal nog een gala- of cocktailjurk, op dit feest zie ik vooral cowboylaarzen met felgekleurde leggings, mannen in trainingsjekkies en vrouwen met bloedrode lippenstift. Een enkele dame heeft een feestjurk aan, maar die praat dan weer met een man die zijn parka-jas binnen aanhoudt. De uitstraling van het publiek is vooral: ‘het is wel feestelijk, maar we gaan ons niet opdoffen, nouja, we doffen ons wel op maar niet op een manier die iedereen meteen ziet.’

De geraffineerde nonchalance van het publiek kan niet verhullen dat men hier alles behalve zorgeloos en onverschillig is. Dat blijkt al uit de speeches voorafgaand aan de openingsfilm. De directeur van het festival introduceert verschillende speciaal genodigden. De manier waarop de zaal reageert per gast, blijkt de voorbode voor de hele avond: burgemeester Aboutaleb krijgt een goed applaus; de internationale regisseurs baden in een vet applaus. Dan heet de voorzitter de staatsecretaris van cultuur Halbe Zijlstra welkom. De zaal reageert met luid boegeroep. Een vrouw naast mij fluit op haar vingers, om mij heen hoor ik niets anders dan gejoel.

Deze avond gaat over geld, en vooral over het gebrek daaraan nu de overheid veel subsidies schrapt. Geld is ook het onderwerp van de volgende speech, van de zakelijk directeur. Zij vertelt  hoe ze met allerlei nieuwe acties geld bij het publiek heeft binnengehaald en wie de nieuwe sponsors zijn. De beklemmende openingsfilm leidt ons even af van de geldzorgen, maar de gesprekken rond de dansvloer gaan al snel weer over financiën. Zoals anderen aan elkaar vragen wat ze van het weer vinden, of hoe een vakantie was, is de openingszin op dit feest eensluidend: ‘Hoe is het bij jullie? Zijn jullie er volgend jaar nog?’ Veel bezoekers werken bij culturele instellingen. Musea en instituten en centra die nu voor 80% afhankelijk zijn van subsidies van de gemeente of van het ministerie, komen volgend jaar helemaal op eigen benen te staan. Weinigen zijn hun baan zeker. Pas tegen middernacht verdwijnen de rimpels en de zorgen eindelijk. We dansen met zijn allen op de vulkaan.

De tafel van de koningin

Mijn man kwam thuis met een wc-bril met dolfijnen. Twee atletische dolfijnen maken duiksprongen in het tropisch blauwgroene water. Hoe heeft het zo ver kunnen komen? Design, voor minder deden we het niet. Design stoelen, design lampen en design in de badkamer. Dat was de stand van zaken, lang geleden, toen we nog geen kinderen hadden. In die tijd gingen we naar de meubelwinkel IkWoon in het Entrepotgebied. De verkoper prees een tafel aan met de woorden dat de koningin een tafel van dezelfde ontwerper in haar bezit had. Ik werd acuut hebberig en die tafel staat nog steeds bij ons in de keuken.

Toen kwamen er kinderen. Flesjes melk klotsten over de dure bank en al het designservies brak. Karrevrachten aan speelgoed drongen ons huis binnen. Ik riep de hulp in van de meubelzaak waar we de tafel hadden gekocht. 'Wat moet ik hiermee?', vroeg ik, wijzend op de bergen speelgoed. 'Een keertje opruimen misschien?' was het antwoord van de binnenhuisarchitect.

Het huis was een stuk voller met al dat speelgoed, maar het was nog presentabel. Dat veranderde toen de hond kwam. Het was een lieve pup, maar alleen-zijn was niet zo zijn ding, zeg maar. Hij knaagde aan de bank. We dekten het licht beschadigde deel toe met een Ikea-kussentje. Een maand verder was de bank zo aangevreten, dat er een krater was ontstaan in de zitting. Het kussen ligt nu als een knikker in een diepe kuil. Hij knaagt ook graag aan plinten en een pas gestucte muur is ook best lekker.

Soms kijk ik met de ogen van een vreemde naar ons huis. Wat een uitdragerij: stoelen met vlekken, een aangevreten bank, happen uit de wand en tekeningen op de muur. En sinds kort dus een wc-bril met dolfijnen -mijn man had de kinderen meegenomen naar de Gamma en dan krijg je dat soort aankopen.

Gelukkig hebben we het pronkstuk nog, de tafel van de koningin. Gisteren waren mijn kinderen lief aan het tekenen aan de tafel. Ik hoorde 'Oepsie'. Mijn dochter was uitgeschoten met de viltstift. Natuurlijk was dat uitgerekend met de enige watervaste stift gebeurd. Het enige wat ons rest is een kroontje over deze krassen te tekenen, als herinnering aan andere tijden.

Hoe we de Luchtsingel laten betalen door 020

Vandaag kocht ik een plank. Hij kostte vijfentwintig euro. En dan heb je een bijzonder stuk hout. Het is een van de 17.000 planken die nodig zijn om een voetgangersbrug tussen het centraal station en de Hofbogen te bouwen. De houten brug heet ‘de Luchtsingel’. In New York is zo’n brug op grote hoogte boven het verkeer een groot succes: mensen flaneren, er is gezelligheid en levendigheid.

Het bijzondere aan onze brug is de wijze van financiering. In deze tijden van crisis moet je niet bij de overheid aankomen met zo’n buitenissig project. In plaats van de overheid betalen wij de brug. Samen. Iedereen, particulier of bedrijf, kan een plank kopen. In ruil voor het bedrag mag de gulle gever de bedrijfsnaam of zijn eigen naam vermelden op de plank. 

Ik heb de namen van mijn kinderen erop gezet. ‘Beetje gierig mamma, twee namen voor de prijs van een plank’, vonden mijn kinderen.

Ik blijk niet de enige te zijn die de namen van mijn kinderen wil tonen in de openbare ruimte van Rotterdam. Op de site van I Make Rotterdam staan de vermeldingen tot nu toe. Bedrijven als Vestia, RET en Bram Ladage vermelden hun bedrijfsnaam. Particulieren schrijven ofwel hun eigen naam, of de naam van hun kind. Er zijn ook een paar liefdesverklaringen: ∞ Freek ♥ Suzanne ∞. Ook mooi: I ♥ PERCEY BOOM xxx carmen. Meerdere mensen willen op de planken hun stad vereeuwigen: Worpelaars ♥ Roffa! Of Kees die schrijft: voor altijd in rotterdam – kees.

De koop van de planken is ook toegestaan aan bewoners van andere steden. Dus krijg je dingen als: Er gaat niks boven Groningen! En, een tikkie gevoeliger: guidoz #020 bouwt #010 ;-)

Toen ik die laatste vermelding las, kwam ik op een geweldig idee. Er zijn veel meer dan 17.000 Amsterdammers die in Rotterdam willen getuigen dat 020 boven 010 gaat. Al die Amsterdammers hebben best 25 euro over om hun stad op te hemelen in hartje Rotterdam. ‘Over mijn lijk’, zult u als echte Rotterdammer vinden. Maar denkt u eens in: die Amsterdammers betalen dus gezamenlijk wel een prachtige brug voor ons. 020 die onze infrastructuur betaalt: een uitstekende oplossing in tijden van crisis toch?

Winterstilte

Deze week ben ik ver van Rotterdam. Als ik 's ochtends naar de bakker loop, zijn de voetsporen van mij en mijn hond de eerste in de sneeuw. De weinige geluiden die er zijn, worden gedempt door door een dikke sneeuwlaag. De bakker en zijn vrouw kennen hun producten en in hun aanprijzingen beschrijven ze met trots precies het verschil (in ingredienten, in knapperigheid, in de mate waarin het vult) tussen dit of dat brood. Als ik terugwandel met een rugzak vol broden naar ons huis zijn er misschien een paar voetstappen bijgekomen.

We zitten hier in de Haute Savoie, aan de voet van de Alpen in een skigebied waar ten minste 30 jaar niets is veranderd. Voor de skipas is een pasfoto nodig. Die kunnen ze niet maken bij de kassa met de skipassen en dus moet je naar de VVV. De foto wordt daar vervolgens door een aardige ambtenaar uitgeprint en uitgeknipt. Met dat uitgeknipte fotootje melden we ons weer bij de kassa van de skipassen. Niets sensoren of chips of andere high-tech oplossingen: een uitgeprint fotootje op een papiertje volstaat.

De ochtenden zijn bijzonder, maar het mooist zijn de nachten. Aan het einde van de middag verschijnt de maan, eerst nog als een doorschijnend zijde-papiertje tegen de nog blauwe lucht. Als de nacht vordert, verschijnen ook de sterren. Wat is het lang geleden dat ik zoveel sterren aan de Rotterdamse hemel heb gezien.

Nu zou ik natuurlijk moeten eindigen dat ik in deze sneeuwstilte Rotterdam mis -en dat is ook wel zo. Hier zijn geen kroegen waar je onverwacht bekenden tegen het lijf loopt, er is geen theater met verontrustende stukken en het filmfestival laat hier in de Haute Savoie ook nog even op zich wachten. Maar wat ik niet mis uit Rotterdam zijn de opgefokte automobilisten; de frietbakjes die over straat schuiven; de stadswachten die bij elke faux pas van mij met zijn vijven tegelijk onder een steen vandaan kruipen; het auto-alarm dat midden in de nacht klinkt; het grove gescheld in het openbaar vervoer. Voor nu wint de stilte het van de stad.

Volgende week moet ik weer inburgeren in Rotterdam. Ik sluit niet uit dat ik een integratiecoach nodig zal hebben.

De olifant, het kerstcircus en ik.

Mijn kerstvakanties kennen één constante en dat is een bezoek aan het kerstcircus. Ahoy verzamelt de beste acts ter wereld en ik geniet van de trapeze-acts met de vrouwen met vleeskleurige panties, de kleine turbochinezen met hun ongelooflijke acrobatiek, de wel erg blonde Russische dames met hun sledehonden.

Ik fantaseer graag over de romantiek van het circus. Zij leven het vrijbuitersbestaan waarover ik alleen maar durf te dromen vanuit mijn rijtjeshuis. Zij verkeren tussen alle nationaliteiten van de wereld, leven met vuur en vlam voor hun vak. Een paar keer mocht ik backstage tussen Russen, Nederlanders, Roemenen, Chinezen in hun badjas over hun glitteroutfit. In de kantine was nog maar weinig over van de bravoure. Een Spaanse halfgod, net nog met zijn lange haren los in de piste met een zweep-act, liep op pantoffels met zijn haren in een staartje. Niks woeste macho meer. Het was een vriendelijke buurman geworden. Ondanks deze onthulling, bleef ik verliefd op de parttime-vagebonden van het circus.

Dit jaar ga ik voor het eerst niet naar het kerstcircus. Het komt allemaal door mijn zuster, de olifant.

Vorig jaar zat ik op een prachtige plek, vlakbij de piste. De olifanten sjokten langzaam de ring in en gingen op commando zitten en tilden hun poot op.  Die grote beesten, die zouden moeten draven in de jungle, die met hun rug in de modder zouden moeten rollen, liepen nog maar eens een rondje in de piste.

Toen de oude olifant een buiging maakte, keek zij mij recht aan. Deze olifant zei tegen mij: ik ben je zuster en ik houd van  jou. Ze keek zo droevig, alsof ze het leed van de hele zaal op haar grote rug meedroeg.

Die avond werd ik middenin de nacht wakker. De olifant keek me weer aan.

Sinds die nacht ga ik niet meer naar het circus. Het is geen statement; ik kan gewoon niet anders. De trapezewerkers, de clowns en de acrobatiek vind ik fantastisch. De Spaanse macho trouwens ook. Maar mogen alsjeblieft de wilde dieren terug naar hun natuurlijke leefomgeving? Mijn kinderen en mijn man moeten een beetje lachen om mijn gekkigheid en gaan ook dit jaar weer naar het kerstcircus. ‘We nemen wel een suikerspin voor je mee, mam.’

Pactman

Vroeger noemden we politie-agenten ook wel ‘dienders’. Deze mensen dienden namelijk een nobele, publieke zaak. En zij dienden ons, de maatschappij. Niet alleen uit de namen voor de politie sprak dienstbaarheid. De burgemeester werd vaak met ‘burgervader’ aangemerkt. Dat is natuurlijk een paternalistische en nogal seksistische benaming (burgermoeder hoor je nooit), maar er spreekt wel iets zorgzaams uit. De burgervader, streng waar nodig, maar ook zacht en vergevingsgezind, waakt over ons allen.

Vergelijk die benamingen van weleer eens met de namen van de huidige Rotterdamse ambtenaren. We hebben een coordinator van de jeugd- en welzijnswerkers, maar die noemen we ‘stadsmarinier.’ Mariniers! Die zetten we in bij hevige oorlogen, waar gewone grondtroepen niet volstaan en waar geharde mannen met kale koppen de gegijzelden voor ons uit de rimboe zullen redden. Mariniers, dat zijn mannen die glassplinters kunnen eten en die door sneeuw en in de woestijn kunnen overleven, zelfs al hebben ze alleen hun eigen uitwerpselen te eten. Mariniers zetten we alleen onder de zwaarste omstandigheden.

Kennelijk vinden sommigen dat het oorlog is in Rotterdam. Een sluipende strijd waarin stadsmariniers hun leven wagen. Maar zij staan niet alleen in deze stadsoorlog. Zo hebben we in Rotterdam Bureau Frontlijn. En als de stadmariniers het niet redden in de gevechtslinie, hebben we altijd nog de interventieteams.

Stadsmariniers, frontlijn, interventieteams: het zijn stuk voor stuk oorlogszuchtige benamingen voor wat hulpvaardige ambtenaren en bureaus zouden moeten zijn.

Je kunt je schouders ophalen. Ach, het zijn maar woorden. Maar zoals de filosoof Wittgenstein al zei: woorden zijn daden. Dat weet iedereen die weleens is gepest of is beledigd. Natuurlijk woedt er geen oorlog in Rotterdam. Maar die oorlogsretoriek lokt strijdvaardig gedrag uit. Voor je het weet zijn straatjochies geen hangjongeren, maar vormen ze opeens een stadsguerrilla.

De komst van Marco Pastors op Zuid is een kans om de oorlogsretoriek te keren. Deze diender op Zuid, deze burgervader van de linkeroever wordt nu aangeduid met ‘Superambtenaar’ en ‘Topambtenaar.’ Ook dit trekt weer het verkeerde register open, omdat die labels alleen iets zeggen over het CV van Pastors.

Wat we zoeken is een naam die duidt op licht aan het einde van de tunnel, op verbinden, op verbeteren, op volhouden. Marco, wat zou je vinden van Zuiderlicht, Magistraat op Zuid, of Pactman?

De krochten van het ziekenhuis

Ik heb het niet op ziekenhuizen, zelfs niet als ik op ziekenbezoek ga. Meteen als ik door de draaideur binnenstap, voel ik een steen op mijn maag. Mijn keel wordt dichtgeknepen en ik voel een lichte misselijkheid opkomen. Als ik een patiënt op een ziekenhuisbed met een infuus, zuurstoffles of slangetjes passeer, wordt het licht in mijn hoofd.

Ziekenhuisbezoek is een beproeving voor mij, maar soms moet het. Vandaag begeleid ik een vriendin naar het Erasmus MC. Zij heeft anderhalf uur moeten reizen. Kennelijk kan ons Erasmus MC een kunstje dat specialisten in de provincie niet beheersen. Dit moet wel een high-tech ziekenhuis zijn.

Zonder noemenswaardige bewijzering slingeren we ons een weg door het gebouw. Na het afleggen van een halve marathon belanden we op een afdeling in de oudbouw. De kleine vierkante ramen met afgeronde hoeken en zwarte rubberen tochtrand doen mij eerder aan een caravan dan een ziekenhuis denken. Nog een camping-effect op de wc voor bezoekers: fragiele wandjes waar de hulk moeiteloos doorheen zou lopen en een minifonteintje van camperformaat. Is dit camping-ziekenhuis echt een reis uit de provincie waard?

We gaan naar beneden en we lopen door lange, smalle gangen met lage plafonds en knipperende tl-verlichting. Alle deuren zijn gesloten. In de honderden meterslange gang is geen raam te bekennen. Af en toe staat er een ziekenhuisbed verweesd in de gang. Nergens zijn balies of mensen die ons kunnen vertellen waar we moeten zijn.

Ook deze krochten van het Erasmus MC lijken in niets op een high-tech zorgomgeving. Het is eerder een filmset voor een maffiafilm. Het zou zomaar kunnen: om het hoekje, onder de knipperende tl-buis, neemt een maffiabaas een stroman onder handen. De mond van het slachtoffer is met tape dichtgeplakt en hij is vastgebonden op een stoel. Ik sluit niets uit.

Dan zijn we op de juiste plek beland. Klapdeuren zoeven geruisloos open. Achter deze deuren blinkt opeens –eindelijk- een super high-tech domein. Hier is het weer zo steriel dat de machine het bijna wint van de mens. Een vriendelijke verpleegkundige heet mijn vriendin persoonlijk, bij naam, welkom. Pas met de begroeting door deze verpleegkundige, die menselijke warmte en professionaliteit in zich verenigt, is mijn vertrouwen in het Erasmus MC gewonnen.

De kolossale kwetsbaarheid van Jack Wouterse

De acteur Jack Wouterse stal mijn hart definitief in een interview met deze krant. Hem werd gevraagd waarom hij was verhuisd van Amsterdam naar Rotterdam. Hij gaf een antwoord in de trant van ‘feit is dat er in Amsterdam te veel bakfietsen zijn.’ Welke Rotterdammer ergert zich nu niet aan die yuppen met die bakfietsen vol blonde kindjes in Amsterdam Zuid?

Daarna was er nog een akkefietje met een hond die losliep en een stadswacht die daar iets van vond. Jack Wouterse kon de bemoeienis niet waarderen, een irritatie die veel Rotterdammers met hem delen. Jack Wouterse is dus niet alleen een interessante en leuke acteur, hij was een echte Rotterdammer geworden.

Hiervoor kende ik Wouterse vooral via de favoriete films van mijn kinderen. Hij speelt bijvoorbeeld de vader van de Stampertjes in Pluk van de Petteflat.; de koning die zich dood verveelt in ‘Lang Leve de Koningin’. Zijn rol als King Lear bij het Ro-theater stond mij ook nog bij.

Zo’n rol zegt natuurlijk weinig over de mens achter de acteur, maar kennelijk heeft Wouterse iets magisch. Welke vrouw ik ook spreek, iedereen is een beetje verliefd op hem. We bewonderen zijn lef, hoe hij recht voor zijn raap is, zijn onvoorwaardelijke liefde voor zijn vak, de gretigheid waarmee hij het leven leeft. Zoiets.

Met deze latente verliefdheid ging ik de zaal van het Ro-theater binnen om de voorstelling ‘Slaaf’ te bekijken. Wouterse schreef en speelt het toneelstuk dat gaat over het gevecht dat hij nu levert om zijn verschillende verslavingen te overwinnen: zijn eetverslaving, zijn alcoholverslaving en zijn cocaine-verslaving. In de monoloog spaart hij zichzelf niet. We zien zijn strijd, inclusief zijn falen. Zijn tot wanhoop drijvende eenzaamheid laat niemand onberoerd in het publiek. Jack Wouterse geeft alles: wat een kolossale kwetsbaarheid.

Na afloop joelde en applaudisseerde het publiek. Het was magistraal en hij verdiende een staande ovatie, maar ik kon nog niet voluit meeklappen. Ik was nog beduusd van het wanhopig gevecht dat deze man ons had laten voelen.

Ik kwam de zaal binnen met een vage verliefdheid. Ik verliet de zaal met de neiging om hem over zijn kop te aaien. Het is goed jongen, het is allemaal goed, zou ik tegen hem zeggen.

Columns
AD RotterdamsDagblad.
> lees verder
Loutermail:
louterlog@gmail.com
Feeds:
atom/rss