Perfect luisteren

‘Ik ben verdrietig. Mijn hond is gisteren dood gegaan’, zegt een collega. ‘Echt waar? Ik heb ook een hond’, antwoordt haar baas. Hoewel de meeste gesprekken zo lopen, is dit geen uitwisseling. De collega is bedroefd, maar daarover kan ze nu niets kwijt in de verdere dialoog. Haar baas gebruikt de openingszinnen alleen  maar om haar eigen verhaal te vertellen.

Ik ben op de cursus ‘Perfect Listening’ van Robert Dee McDonald. Onze trainer is op ten top Amerikaans: we starten elke dag met een hug, en toe, nog een hug, hij is gebruind, ongelooflijk energiek en vitaal en tamelijk zelfbewust, en natuurlijk sluiten we af met een hug. Hij is gevestigd in de Verenigde Staten maar hij werkt ook in ander continenten. Hij geeft regelmatig workshops in Nederland, om precies te zijn in Zuid-Beijerland. Het heeft iets grappigs, dat zo’n flamboyante man uit Californië  uitgerekend in het gereformeerde polderdorp neerstrijkt om Europa te bedienen.

Ik dacht dat ik redelijk luisteren kon, maar deze vijfdaagse cursus laat me zien dat ik een  amateur ben. Ik kan me moeiteloos situaties voor de geest halen waarin ik een verhaal van een ander vooral als opening zag om mijn eigen geschiedenis te vertellen. ‘Ik zit in een dip’. ‘Ja, dat had ik ook afgelopen zomer.’ Of: ‘wij zijn aan het kijken voor een nieuw huis.’ ‘Dat doen wij ook. We focussen op de omgeving rondom Breda.’

Gedurende vijf dagen leren we nauwgezet luisteren en dat blijkt hard werken, heel hard werken. Met een bijna wiskundige precisie kunnen we vervolgens meten welk niveau van luisteren we machtig zijn. De uitwisselingen hierboven scoren allemaal een ‘1.0’, het laagste niveau. Een 5.0 is voor Perfect Luisteren. Bij mijn eerste ‘3.25’ ben ik verheugd. Ik kan dus luisteren- als ik mijn best doe.

’s Avonds kom ik thuis en vertel mijn man opgewonden over de niveaus van luisteren, en over het verschil van een 3.50 en een 4.0. Eerst humt hij nog wat en knikt af en toe maar aangekomen niveau 4.50 knikkebolt hij. Een 0.0, noteer ik en besluit dat een hug meer op zijn plaats was geweest dan mijn eindeloze verhaal.

Mijn eerste leesbril

Scouting is hartstikke leuk, behalve dan die insignes die een welp met allerhande activiteiten kan verdienen. Een badge als bewijs dat een kind zelfstandig zijn zakmes kan slijpen; een embleempje voor het bijwonen van de gezamenlijke jaaropkomst- dat soort werk. Al die stugge lapjes stof moeten op het overhemd genaaid worden en dat valt niet mee. Handwerken is niet echt mijn forte. Qua breien ben ik nooit verder gekomen dan een barbie-sjaal. Zeuren heeft geen zin want dit moet gewoon gebeuren. Met het naaigarnituurtje dat ik ooit in een hotel heb verworven op tafel ben ik klaar om te borduren. Verdorie. Ik krijg die draad niet door het oog van de naald. Ik loop naar de felste lamp en doe nog een poging. In opperste concentratie pruts ik het draadje in het gaatje.

Dit is geen incident. Het is een patroon. Documenten op het beeldscherm staan nooit meer op 100%, maar altijd minstens op 150%. ’s Ochtends wil ik nog wel in de krant bladeren, maar ‘s  avonds laat ik ‘m links liggen omdat mijn ogen prikken. Verkeersborden zijn minder duidelijk. Teksten op verpakkingen zijn onleesbaar. Ik leen de leesbril van mijn man en in een klap zie ik alles weer scherp. Ontkennen heeft geen zin meer.

Voor het eerst in mijn leven loop ik een opticien binnen. Een onberispelijk geklede jongeman heet me opgewekt welkom. Kees helpt me door een oogtest en heel even twijfel ik aan het concept. Net als bij fysiotherapeuten en psychologen zijn opticiens toch vooral winkeliers. Kees heeft er dus alle belang bij om mij een dubbele cylinder en een dikke oogafwijking aan te smeren want dan verkoopt hij lekker. Ik besluit om het wantrouwen te laten varen en ik onderga de meting. Heel even steekt het wantrouwen de kop op als hij meldt dat ik een cylinder heb, maar ach, wat kun je anders? Kees zoekt een montuur voor me uit. Prachtige modellen. Voor een ander dan. Ik schrik van mijn spiegelbeeld. Ik zie er zo…zo…zo middelbaar uit. Eenmaal thuis ligt het naaigarnituurtje voor me klaar. Ik heb geen excuus meer: bril op en borduren maar.

De dieven te slim af

Wegens een inbraakgolf in onze buurt nemen we extra maatregelen tijdens onze vakantie. De inbrekers zullen ons niet vangen met hun trucje om een briefje tussen de voordeur en het kozijn te steken. Onze buren controleren elke dag de voordeur op deze tekenen. We zetten de lampen ook maar weer op een tijdschakelaar. We hebben extra sloten laten aanrukken en deze vakantie verlaten we het huis via de achterdeur zodat we de voordeur op de knip kunnen doen. Met al deze ingrepen ben ik toch nog niet tevreden. Onlangs is bij mijn broer en schoonzus ingebroken. Naast alle andere schade was ik het meest onder de indruk van het feit dat alle sieraden zijn meegenomen. Daar moet ik niet aan denken: mijn ring met robijn die ik kreeg bij de geboorte van mijn dochter; de ketting van mijn overleden moeder; de oorbellen die de geboorte van mijn zoon markeren; de stoere armband die ik op een heerlijke vakantie kocht. Ik besluit rigoureuze maatregelen te nemen en de sieraden te verstoppen. Natuurlijk niet op één en dezelfde plek, dat zou te gemakkelijk zijn voor de dief. Ik vind onverwachte hoeken en gaten over twee verdiepingen verspreid in ons huis. Knappe boef die dat weet te vinden.

Na drie weken vakantie komen we weer thuis. Godzijdank is onze woning uit handen van het inbrekersgilde gebleven. Tijd om mijn sieraden weer te verzamelen. Het eerste doosje oorbellen weet ik meteen te vinden. De tweede vernuftige verstopplek, achter de fotoboeken, vind ik ook nog terug. Maar waar zijn in hemelsnaam doosjes 3,4,5,6 en 7 gebleven? Ik zet op twee verdiepingen alle kasten op zijn kop. Ik durf niets zomaar weg te gooien, uit angst dat ik een gouden ketting in een sok of doosje heb gestopt. Het kost me twee volle dagen om de kasten centimeter voor centimeter te controleren op aanwezigheid van mijn sieraden. De verstopplekken (In een speelgoedtrein! In een laars! In een washandje!) zijn met verstand van zaken uitgezocht. Sterker nog: ik ben zo briljant in het verstoppen van mijn juwelen geweest dat ik doosje nummer 7, met een handgemaakte gouden ring met diamantjes, nog steeds niet heb teruggevonden.

Kappers en ontrouw

Ik ben zo trouw als een hond, maar soms experimenteer ik met een bezoek aan een andere kapper. Laatst nog op vakantie. Die glimmende kapperszak in het dorp zag er sjiek uit, en ik had de tijd aan mezelf. Het is een schuldig pleziertje, reeds tijdens de knipbeurt want ik weet: ooit moet ik dit kapsel verantwoorden bij mijn eigen kapper. In mijn leven heb ik een dozijn kappers gehad en de bekentenis kent een vast stramien, met drie variaties. ‘Hmm, je haar is droger dan anders en het valt ook piekerig.’ Als de schuldige klant niet onmiddellijke en volledige opening van zaken biedt, zullen de beledigingen alleen maar toenemen. De uitgroei is armoedig, er is tegen de vleug in geknipt en het haar lijkt wel gesneden? De kapper laat niet los tot de schuldbewuste klant door het stof gaat. Ja, ik ben bij jouw concurrent geweest die duurder en slechter was. Ik ben blij dat ik nu weer in goede handen ben.

Gevlei is een andere strategie van de kapper. Met extra aandacht voor de val van je haar, gratis haarmaskers en ach, ik doe er vandaag een hoofdmassage bij, verovert hij je terug. Bij het uitspreken van jouw waardering voor deze excellente service, floept de kapper er in een onbewaakt moment uit: ‘dat hadden ze zeker niet bij die andere.’ Dit zijn allemaal reacties waarmee ik kan dealen. Rustig de aangever van boze kapper afwachten, schuldbewust reageren, door het stof kruipen, verzoening. Maar dan is er nog een derde strategie: de stilte. De kapper zegt niets. Ik weet niet zeker of hij het ziet. Als ik nu begin te praten, verpest ik onze kniprelatie onnodig want hij heeft immers niets gemerkt. Echter, als ik mijn mond houd en hij heeft wel degelijk gezien dat ik door een ander ben geknipt, is het vertrouwen voorgoed verstoord. Ik besluit niets te zeggen maar bij wijze van boetedoening over te gaan tot de aankoop van belachelijk dure wax en ook nog een shampoo.

Ingewikkeld spul, die kappersbezoeken. Vreemdgaan mag dan tegen de goede zeden ingaan, maar veranderen van kapper is een regelrechte doodzonde.

Katendrecht

‘Ik had een friettent op de Kaap’ zei de gepensioneerde man die mij een jaar of 10 geleden redde in een Rotterdams nachtcafé. Ik was verhuisd uit Nijmegen en hier was het toch allemaal iets ruiger, vooral in de ochtenduren. Een vriendin en ik hadden zojuist met een paar mannen, waarvan eentje met hondje op schoot, wat potjes gekaart. Daarna ging ik met mijn vriendin dansen. Een man op de dansvloer vond dat hij recht had op meer. Hij duwde me tegen de muur en probeerde me te zoenen- laten we het zo noemen. Ik hoefde maar een keer te wenken naar mijn prille kaartvrienden, en daar stonden ze. De aanrander kon zonder pardon naar buiten. ‘De Kaap?’ informeerde ik bij mijn redder met wie ik napraatte. Ik dacht aan scheurbuik, zeelieden en verre avonturen. Hij lachte zich de tering- in zijn eigen woorden en het gekuch deed trouwens het ergste vermoeden. Deze heldenactie van gepensioneerde mannen in een nachtkroeg was mijn kennismaking met Katendrecht.

Een paar jaar later bracht ik een avond –die een nacht werd- door in Café de Pijp op Katendrecht. Het is een echte buurtkroeg. De barvrouw beklaagde zich over de nieuwe bewoners. De Vinexwijk was gedeeltelijk gereed en de nieuwe bewoners verschilden nogal van de oorspronkelijke. ‘Ze hebben door hun hoge hypotheken geen geld om een beetje gezelligheid te maken in de kroeg. Ze zitten allemaal thuis voor hun eigen teeveetje.’

Ik kon deze barvrouw niet helemaal ongelijk geven. OK, die drugscriminelen en ander uitschot waren misschien niet de ideale bewoners, maar het schoonvegen is doorgeslagen. Katendrecht, dat was ooit toch een jazzclub met een roemrucht verleden; de eerste Chinatown van Nederland; de Rosse buurt en handelaren die exotische waar uit alle windstreken verkochten.

Met de recent geopende Fenixloods is het gulden midden gevonden. Het gebouw is rauw; het uitzicht richting haven is groots, het eten is eerlijk en subliem. Op het terras zitten we tussen Vinexbewoners die nu toch wat geld hebben vrijgemaakt om achter hun tv vandaan te komen. Het rauwe Katendrecht is niet meer, maar het brave is er ook vanaf. Het is gepolijst en een heerlijke plek om te zijn

Mannen en hitte

Het is lekker warm, dus zien we elegante jurkjes, blote benen, spaghettibandjes. Tot zover de vrouwen. Dan mannen en zomer. Het zal nooit iets worden tussen die twee. Pijn aan mijn ogen krijg ik van het Rotterdamse straatbeeld: harige witte benen -de schenen geven licht- die uit baggy korte broeken steken. Die broeken zijn harstikke geinig bij tieners, maar voor een volwassen kerel zijn al die extra zakken en ritsen en lusjes wat infantiel. Bovendien kan die vijftiger een strakke snit gebruiken om de goede features te benadrukken en de wat hangerige (c.q. dikke of slappe) lichaamscontouren te verhullen. De broek is niet het ergst. De Rotterdamse mannen dragen het liefst sandalen onder die korte broek. Dan zijn er twee soorten mannen. De eerste draagt de sandalen met sokken. Dat is erg. Maar nog erger zijn de sandalen zonder sokken die zicht bieden op te lange en vergeelde teennagels en eeltige hielen.

Op mijn werk is het niet anders. Mannen dragen teenslippers, korte broeken en een enkeling verschijnt in een hemdje met wijde armsgaten. Het scheren van allerlei lichaamshaar mag dan gemeengoed zijn in Nederland, tot die categorie mannen behoren mijn collega’s kennelijk niet. Complete oerwouden gedijen onder de oksels. Tijdens ons zakelijk overleg groeit het bosje nog minstens een paar centimeter.

Ook het aantal “naar-het-werk-fietsers” neemt met het mooie weer toe, dus ook weer volop mannen die bezweet aankomen op het werk. Hun rug is een groot nat wegdek door de rugtas. Tegen de tijd dat hun rug weer droog is, stappen de zurig ruikende heren weer op hun fiets naar huis.

Neem dan landen waar men gewend is aan de hitte. Mannen flaneren in geperforeerde kalfslederen schoenen, linnen broeken met een messcherpe vouw en een gekleed shirt. Zelfs een hoed is niet aanstellerig bij deze mannen.

Nu de opwarming van de aarde een feit is en wij in Nederland moeten gaan wennen aan Mediterrane temperaturen in de zomer, hoop ik dat de Rotterdamse mannen iets opsteken van de zuidelijke landen. Het kan heus: gekleed zijn op de hitte zonder dat je eruit ziet als een overjarige tiener op vakantie in Torremolinos.

Het chagrijn bij eco-supermarkten

Ik doe mijn best, op mijn manier. Ik ben parttime vegetariër. Nooit zal ik een plofkip kopen. Als ik de keuze heb uit twee komkommers, zal ik het onbespoten exemplaar kiezen. Kortom: ik wil graag biologisch veganistisch ecologisch bio-dynamisch eten, maar dan moet ik de producten gewoon kunnen kopen in de supermarkt bij mij in de buurt.

Een enkele keer, als ik toch in het centrum van Rotterdam ben, bezoek ik de Groene Passage. Naast misschien wel de beste lunchzaak van de hele stad, is daar een biologische supermarkt gevestigd. De winkel doet mij denken aan de buurtsuper van vroeger: kleine mandjes en smalle gangen tussen de volgestouwde schappen.

Ik pak de kleine winkelmand en maak een keuze uit 88 soorten quinoa, fantastische kazen, zuurdesembrood en vers gebrande noten. Tussen de gebroken tarwekiemen valt me opeens iets op. Niemand lacht hier. De klanten zijn ernstig, maar vooral het personeel valt het leven zwaar. Ik vermoed dat je enigszins gedeprimeerd moet zijn om in aanmerking te komen voor een positie bij deze eco-supermarkt- of dat je dat je op zijn minst moet kunnen faken dat je depressief bent. Ik begrijp het ook wel: hoe kun je nu lachen en lol maken terwijl de aarde ontegenzeggelijk door de klimaatcrisis naar de kloten gaat?

Opeens wil ik me snel uit de voeten maken voor ik ben aangestoken door deze slechte vibes maar dat is nog niet zo eenvouding. Er is slechts één kassa open en de rij blijft groeien. Als ik dan eindelijk aan de beurt ben, heb ik eigenlijk een plastic tas nodig, maar de make-uploze kassajuffrouw kijkt zo zuur dat ik het niet in mijn hoofd haal om een tasje te vragen. Ik prop de boodschappen in mijn jas, mijn zakken en de rest in een doosje. 60 euro bedraagt de rekening voor het halfgevulde winkelmandje. Bij Albert Heijn heb ik voor datzelfde bedrag een grote kar vol weekboodschappen.

Echt, ik doe mijn best maar er zijn grenzen. Pas als de prijs, service en humeur van de eco-winkel enigszins in de buurt komen van de supermarkten, kom ik nog wel eens terug.

Stadsinitiatief: een jackpot van 3 miljoen

Niemand kan tegen burgerinitiatieven zijn. We delen onze weerzin tegen beleidsambtenaren met hun strategische oriëntaties, projectleiders die vergaderen in projectgroepen die gecontroleerd worden door stuurgroepen die vragen om afstemmingsmomenten met alle relevante stakeholders en die toetsen of de plannen binnen gestelde wettelijke kaders passen. Na al die rondes inspraak is zelfs het wildste idee een braaf compromis geworden. Dus: lang leve burgerinitiatieven. Niks vergaderingen en beleid. Surfen op de energie van de bewoners. Burgers weten veel beter wat goed voor Rotterdam is dan de bewoners van de Coolsingel.

Ook ik liep warm voor de eerste ronde van het stadsinitiatief van Rotterdam. Maar nu, bij ronde 3, ben ik sceptisch want ik zie ik vooral commerciële initiatieven die niet een publiek belang dienen, maar een dienst voor een kleine groep beogen. Ik omarm commerciële plannen voor toerisme of vermaak. Maar als het ondeugdelijke business cases zijn, die slechts aan het financiële infuus van het stadsinitiatief in leven kunnen blijven, zijn het slechte ideeën die ons belastinggeld niet verdienen.

Mijn tweede bezwaar gaat over het bedrag van 3 miljoen euro uit publieke middelen waarover geen deugdelijke afweging heeft plaatsgevonden. De indiener met de meeste vrienden wordt het. Punt. Dat vind ik net zo oneerlijk als de populairste leerling in de klas die bij stemming een 9 voor zijn spreekbeurt krijgt. In een goed werkende democratie wordt de minderheid juist beschermd tegen de wil van de getalsmatige meerderheid.   

Mijn derde overweging is dat het stadsinitiatief aanzet tot het tegenovergestelde gedrag van wat het beoogt. In de bestuurskunde heet dat ‘perverse prikkels’. Met het stadsinitiatief willen we ideeën van onderop de kans geven. Wat gebeurt er in de praktijk? Professionele bureaus halen de buit binnen. De graadmeter is immers welke organisatie het best in staat is om stemmen te trekken.

Wat is dat toch met Rotterdam en stemmen: eerst worden we gevraagd om te stemmen op een gebiedscommissie zonder zeggenschap en geld, nu zijn we onderwerp van een verleidingscampagne van commerciële clubs die azen op de jackpot van 3 miljoen. Ik verlang bijna naar beleidsambtenaren die vergaderen en sonderen en afstemmen en de wettelijke kaders onderzoeken.

Columns
AD RotterdamsDagblad.
> lees verder
Loutermail:
willemijn.dicke@gmail.com
Feeds:
atom/rss