Groupies

In de avondkou staat een lange rij voor de deur van Arminius. De zaal is uitverkocht. Deze fans hopen dat er alsnog een kaartje vrijvalt. Het is geen popster die vanavond optreedt maar de bioloog Frans de Waal- de internationale apen expert. Hij zal vanavond vragen behandelen als: Kunnen apen invoelen met een ander? Kunnen ze troosten?

Net voor de aanvang van de lezing loopt een dame op leeftijd langs de zitplaatsen op de eerste rij. Die stoelen zijn allemaal bezet. Achterin zijn nog plekken, maar kennelijk wil zij vooraan zitten. Deze vrouw zal voorbij de zeventig jaar zijn. Haar witte haren draagt ze los, alleen de voorste springerige lokken heeft ze in een meisjesachtige haarklem vastgezet. Ze heeft haar functionele regenjas binnen aan gehouden. Kruislings over haar borst draagt ze een linnen tas met het verweerde logo ‘Kruisrakketten nee.’ Als er geen lege plek meer beschikbaar is, zakt ze door haar knieën en gaat op de grond zitten. Ze trekt haar knieën op en schuift wat met haar billen. Op haar gezicht verschijnt een brede glimlach als Frans de Waal het podium betreedt.

Gedurende de lezing houdt ze deze glimlach vast, alleen onderbroken door een schaterlach bij een briljant filmpje over chimpansees of bij een grapje van Frans de Waal over de Amerikaanse politiek of over gedrag van zakenmannen. Hij betoogt dat mensen apen zijn, net als bonobo’s en chimpansees. De mens is geen aparte categorie. Niet alleen het overlappend DNA tussen alle apen, waaronder mensen, is overtuigend bewijs. We kennen dezelfde emoties. Daarbij: apen kunnen, net als mensen, anderen troosten. Ze kunnen samenwerken, anderen helpen. Het precieze moment kan ik het niet duiden, maar ergens tijdens de lezing ben ik verliefd geworden op Frans de Waal. Hij is zo erudiet, zo grappig, zo nieuwsgierig naar weer nieuwe vraagstukken.

Na afloop wil ik de oudere dame de hand reiken om op te staan maar dat is niet nodig. Ze staat al bij de spreker om een handtekening te vragen. Ik kan Frans de Waal gerust stellen. Mocht de generatie grijze groupies rondom hem uitsterven, dan ben ik van harte bereid om deze rol met verve te vervullen.

Sint, ik wil een nieuwe politieke partij

Ik ben uiterst redelijk. Ik weeg dingen tegen elkaar af, praat met mensen uit verschillende geledingen, lees me in op onderwerpen. Toch heb ik over veel, zo niet alle huidige politieke onderwerpen in Rotterdam, een minderheidsmening. Mijn afwijking is niet eenduidig. Soms ben ik vele malen progressiever dan de meerderheid, maar soms haal ik Rotterdam ter rechterzijde in.

Zo ben ik voor de legalisatie van alle drugs, inclusief suiker en alcohol. Dit is behoorlijk links maar het kan nog linkser. Ik ben namelijk ook voorstander om het uiterlijk van zwarte piet stapje voor stapje te veranderen. Want of het nu nog zo wordt bedoeld of niet, het is onmiskenbaar zo dat mensen zich gekwetst voelen door de zwartepietentraditie. Van mij hoeft het roer niet radicaal om. Een gekleurd pietje hier, een zwarte piet daar- en volgend jaar weer een beetje meer veranderen. Het lijkt me een redenering waar geen speld tussen is te krijgen. Met dit gebalanceerde verhaal blijk ik een zeurderig ultralinks-minderheidsstandpunt in te nemen.

Waar maakt Rotterdam zich nog meer druk om. Een nieuw poppodium? Ik was afgelopen weekend in Grounds. Ik kende het podium tot nu toe alleen van naam. Het festival was uitverkocht en er heerste een prettige, open sfeer. Super professioneel geluid en licht. Wat is er mis met Grounds als poppodium? Is een capaciteit van 200 man te weinig? Als er echt zo’n enorm potentieel aan bezoekers is, waarom zijn al die vorige podia dan op de fles gegaan? Hier ben ik dus duidelijk te conservatief voor Rotterdam. Als het echter gaat om preventief fouilleren, ben ik weer linkser dan de meerderheid. Ik vind het belachelijk hoe grondrechten hier met de voeten worden getreden. Hier wordt niet geknabbeld aan maar gehakt in de rechtstaat. Maar ja, als het dan gaat over afval op straat, blijk ik bijna reactionair in mijn conservatisme. De vervuiler moet de boel opruimen op straffe van zes weken vegen in je eigen buurt.

Lieve Sint, ik heb een hartenwens voor pakjesavond: een nieuwe politieke partij. Lukt dat nog voor vanavond?

Vertrouwen op de Sint

Dit jaar voorkomen we gestress op de laatste dagen voor Sinterklaasavond. Een maand tevoren maken mijn man en ik een Excel-lijst met cadeauwensen van de kinderen, inclusief de bedragen. Is het een goede mix van nuttig en leuk en is het eerlijk verdeeld? Als we tevreden zijn met het Excelbestand, ga ik een avond bestellen op internet. Ik klik wat in het rond en binnen mum van tijd is het gefikst. Niet eerder ging het zo gemakkelijk. Ik verwen mezelf ook met een Sinterklaascadeau. Ik houd van Scrabble. We spelen al jaren met een piepkleine reisversie waarvan het bord met satéprikkers en plakband bij elkaar gehouden wordt. Ik kies de meest luxe editie.

De daarop volgende weken stromen de bestellingen in alle soorten en maten binnen in ons huis. Ik kan de dozen niet openmaken waar de kinderen bij zijn, dus stapel ik de pakjes ongeopend in kledingkasten- zonder de bestelling te controleren. Ik ontvang mailtjes van vertraging in de bezorging of dat iets toch niet leverbaar is in de gewenste kleur of maat.

Daar gaat het dus mis. Ik heb weliswaar alle bestellingen gedaan, maar ik heb niet bijgehouden wat we nu precies wel en wat we niet in huis hebben. Er zit niets anders op voor ons. Op een avond controleren we doos voor doos. Onze keuken verandert in een logistiek centrum. We nemen het Excelbestand, markeren of het cadeau binnen is, we pakken het in en nummeren het volgens een uniek coderingssysteem. Bij pakje zes kijkt mijn man me streng aan. ‘Hoe komt Scrabble in deze doos?’ Als ik de bestelling beken, kijkt hij teleurgesteld. ‘Maar dat spel heb ik ook al voor jou gekocht. Wie regelt nou zijn eigen Sinterklaascadeautjes?’ Ben ik soms vergeten dat ik, ongevraagd, een Vivienne Westwood jurk ontving van Sinterklaas? Die zijden japon met kleurige bloemen?

Mijn man heeft gelijk. Ik moet gewoon vertrouwen op de Sint.

Een dag later doet mijn man per ongeluk de Westwood creatie bij de 60 graden was. De jurk krimpt 3 maten, de kleuren zijn doorgelopen en de bloemen zijn verlept.

Het is weliswaar geen gedicht, maar de hint van Sint is er niet minder duidelijk op: niet inhalig je eigen cadeaus bestellen en gewoon vertrouwen op een heerlijk avondje. Dank u Sinterklaas!

Op zoek naar een middelbare school

Ik ben een kind uit een gemengd huwelijk. Destijds had die uitdrukking betrekking op het geloof. Mijn moeder was Rooms Katholiek en mijn vader was Nederlands Hervormd.

Zo’n huwelijk was niet vanzelfsprekend. Mijn moeder werd bijvoorbeeld geweigerd als lid van de Medezeggenschapsraad van de christelijke basisschool omdat ze Rooms Katholiek was. Hoopgevend hoeveel er kan veranderen in 40 jaar.

Ergens in de huwelijkse voorwaarden was impliciet bedongen dat mijn broer en ik weliswaar in de protestantse kerk gedoopt zouden worden en naar een christelijke lagere school zouden gaan, maar dat onze middelbare school vervolgens katholiek zou zijn.

Die keuze was dus allang uit-onderhandeld door mijn ouders. Binnen fietsafstand was maar één katholiek VWO. Kennissen waren positief over deze school en dus schreven mijn ouders mij in voor deze middelbare school. Dat was het. Een procedure die overigens naar ieders tevredenheid was.

Onze dochter moet zich eerdaags ook inschrijven voor ‘de middelbare’. Ik ben klaar voor de procedure van mijn jeugd: inschrijven en klaar. Dat gaat toch een beetje anders in Rotterdam in 2014. Kiest ze voor extra veel uren sport, of voor de theater-middelbare school? Of toch liever een VWO met nadruk op techniek? We kunnen ook nog naar een school met Chinees, of eentje met een zwaar pestprotocol, een tweetalige school of een iPad-school. De ene middelbare school zweert bij project onderwijs met veel nadruk op samenwerken, de ander benadrukt juist de individuele prestaties. Alle scholen hebben open dagen, informatieavonden voor ouders en open lesdagen voor toekomstige leerlingen. Onze weekends tot 1 maart volgend jaar zijn volgeboekt met dit soort informatie-dagen.

Dit gigantische aanbod van middelbare scholen is prachtig. Ondertussen heb ik het vermoeden dat het allemaal geen bal uitmaakt: ik, die zonder overleg werd ingeschreven voor een middelbare school, of mijn dochter, die na al die open dagen en meters folders kiest voor een bepaalde school. Beide 12 jarigen beginnen aan een onbekend avontuur en zullen hoe dan ook hun eigen weg moeten gaan vinden in een heel nieuwe omgeving. Zoveel is er niet veranderd: waarschijnlijk wordt het een school die we via via kennen en zich op redelijke fietsafstand bevindt.

Oud en eenzaam

Oud worden is niet gemakkelijk. Eenzaam oud worden is verschrikkelijk.
Mijn alleenstaande oom, ver in de tachtig, woont zelfstandig. Afgelopen week is hij gevallen in zijn appartement. Wat er precies is gebeurd weet hij niet, maar hij was niet in staat om zelf op te staan of om hulp te roepen. Hij heeft minstens twee dagen op de grond gelegen. Buren waren gealarmeerd omdat ze hem een poosje niet hadden gezien. Ze belden een ambulance en nu ligt hij bij te komen in het ziekenhuis.

Dit is alweer een dieptepunt in zijn ouder worden. Hij kan allang niet meer meekomen. Hij kwam graag in de bibliotheek waar hij artikelen uit kranten kopieerde. De bieb ging echter over van kleingeld op een chipsysteem voor het kopieerapparaat. Saldo opladen, piepjes, codes…dat gaat hem boven de pet. Nu komt hij niet meer in de bibliotheek. Hetzelfde met openbaar vervoer. Een strippenkaart ging prima, maar het opladen van een OVkaart is te ingewikkeld. Dit zijn nog de eenvoudige dingen. Probeer maar eens iets in de zorg te regelen. Mijn oom wil absoluut niet naar een verpleeghuis. Dus regelden we thuiszorg. We hebben intakes met drie verschillende instanties gehad. Dames  die op bezoek kwamen met ongeveer dezelfde vragenlijsten. Het waren hoofdkantoren, lokale instanties en teamleiders. Intieme vragen kwamen voorbij, over persoonlijke verzorging en trauma’s uit het verleden. Er verscheen weer een dame met weer een leeg formulier, met de hand ingevuld. Van enige overdracht merkten wij niets. Bij nummer drie vroeg ik of zij nu degene was die mijn oom zou verzorgen. Welnee, daarvoor hadden ze een onderaannemer. Na bellen met indicatiestellers en nog een telefonische intake bleek mijn oom recht te hebben op 50 minuten zorg per week.  Een klein uur voor schoonmaken, persoonlijke verzorging en boodschappen.  

Wij hebben in totaal 8 uur intake gehad. Met een fatsoenlijke overdracht had dat 1,5 uur kunnen zijn.

Ik geloof niet dat het alleen een kwestie van geld is in de ouderenzorg. Het gaat ook over goed en anders organiseren. Daarmee winnen we zoveel tijd dat we, in plaats van administratie en intakes, aandacht en zorg kunnen geven. Wie weet verzacht dat een beetje de eenzaamheid.

Studenten op gympen

Het is stil in de treincoupé. Alle reizigers kijken wat op hun smartphone of luisteren naar muziek. Opeens wordt de rust in de avondtrein naar Rotterdam verstoord. Drie jonge vrouwen komen aangehold. Ze zullen een jaar of 18 zijn. Alle drie hebben ze zo’n kort rokje aan, dat deze nauwelijks onder hun ski-jack uitkomt. Een andere overeenkomst is hun handtas van enorme afmetingen.

‘Is jouw date lid van het Bestuur?’ vraagt het blonde meisje opgewonden aan haar vriendin. ‘Nee, hij is lid van de Senaat.’ ‘Dat is het zelfde’, weet de derde vriendin. Er ontstaat een discussie over Senaat en Bestuur. De conclusie van de drie is dat ze niet zeker weten wat de functie van hem op de studentenvereniging is, maar dat hij vast goed tegen drank kan. ‘Machiel zei dat we niet moesten proberen om hen bij te houden met drinken. Dat redden we niet.’ De meiden knikken serieus. ‘Hoe gaan we onze date eigenlijk begroeten?’, wordt het volgende dilemma opgeworpen. De een wil een hand geven, waarop de ander begint te giechelen. ‘Aangenaam kennis te maken’, zegt ze overdreven formeel. Ze besluiten om de mannen te begroeten met drie kussen. En dan nog één ding. De blonde vriendin wil, ‘wat er ook gebeurt’, samen naar huis, rond een uur of drie, vier vannacht. Vriendin twee stemt meteen in, maar de derde kijkt dromerig uit het raam. ‘We gaan niet weer opeens met iemand mee hè?’, vraagt de blonde streng. De derde vriendin antwoordt niet maar stelt een nieuw onderwerp aan de orde. ‘Hé, ga jij op die hakken lopen vanaf de metro naar de vereniging?’ De vriendin tovert gympen uit haar handtas. Het zijn ongelooflijk smerige schoenen. Bier en modder herinneren aan andere goede feesten. De pumps verdwijnen in de tas en ze doet de gympies aan haar pantyvoeten. Als ze uitstappen bij Blaak, in hun feestelijke uitdossing met ski-jack en afgetrapte gympen, kan ik een glimlach niet onderdrukken. 25 jaar geleden ging ik, in soortgelijke outfit, met min of meer dezelfde voorbereidingen en niet nagekomen afspraken naar mijn eerste gala. Rotterdam mag dan veranderen in razend tempo, sommige dingen blijven verrassend constant.

Borstenmannen en ander gespreksongemak

Ik drink koffie bij het Nationale Nederlanden- DE café bij het centraal station. Tussen de hippe dertigers en veertigers ben ik de enige loonarbeider die hier niet komt om te werken. De rest zijn ZZP-ers, afgaand hoe druk ze zijn met hun social media op hun laptops en tablets. Op weg van de kassa naar mijn tafeltje kom ik een bekende tegen. Ze spreekt me aan en we maken een praatje. De kennis staat net een halve meter dichterbij mij dan ik wenselijk vind. Als ik vervolgens een stapje achterwaarts zet om de ruimte tussen ons te vergroten, beweegt ze vanzelf met me mee. Het is alsof we samen een choreografie uitvoeren in het café. De afstand tussen ons is zo klein dat ik inmiddels de neusharen bij mijn kennis kan tellen. Als uiterst redmiddel breng ik het dienblad met de cappuccino als schild tussen ons in om mijn persoonlijke ruimte te verdedigen, maar zelfs die barrière helpt nauwelijks. Ik breek het gesprek voortijdig af om van haar af te zijn.

Naast de space invaders is er nog een vervelendere gesprekspartner: de borstenman.

Vrouwen kijken hun gesprekspartner in de ogen. Mannen niet, tenminste, als ze in gesprek zijn met een vrouw. Mannen loeren naar de borsten. Laatst had ik weer zo’n situatie. Het was een zakelijke bespreking. De man in kwestie had me nog geen moment in mijn ogen gekeken. Hij bleef met zijn ogen plakken aan mijn borsten. Dan dwaalde hij weer iets naar links, iets naar rechts. Heel even oogcontact, en dan zakte hij weer af ter hoogte van mijn buste. Toen hij zijn ogen toch even afwendde van mijn borsten en me voor een kort moment in de ogen keek, zag hij dat ik had gezien dat zijn ogen continu op mijn borsten rustten. En nu het irritante: vervolgens begon ík te blozen omdat hij zich betrapt voelde.

Opeens zie ik wat hier gebeurt in het café: al die laptops en tablets zijn hier niet om door middel van social media contact te maken, maar het zijn afweerschilden tegen space invaders en borstenmannen.

Schone straten. Het kan.

Tijdens de lunchpauzes parkeren auto’s voor ons huis op de Kop van Zuid. De mannen eten hun lunch achter het stuur. Het tafereel is voorspelbaar. Na een paar minuten gaat het raampje een klein stukje open en wordt het frietbakje of kebab papiertje op straat geflikkerd. Even mond afvegen voordat hij de auto weer start. Het portier wordt nog kort geopend om ook het papieren servetje op straat te  dumpen en dan is het tijd om weg te rijden.

Lange tijd ergerde ik me kapot aan deze vervuilers maar mijn huisgenoten vonden mij zo langzamerhand een reactionaire zeurkous worden. Iedereen gooit zijn afval op straat in Rotterdam- daar is nu eenmaal niets aan te veranderen. Alleen burgerlijke types die terugverlangen naar de goede oude tijd, maken zich nog boos om dit soort kleinigheden. Ik heb weleens mensen aangesproken als zij achteloos hun afval op straat lieten slingeren en die keren werd ik recht in mijn gezicht uitgelachen. Van schaamte was geen sprake. Ik was afwijkend, niet zij. Ik schikte me in mijn lot. Afval op straat is kennelijk vanzelfsprekend.

Dat dacht ik tot ik afgelopen week naar Tallinn reisde. Deze hoofdstad van Estland heeft 400.000 inwoners, vergelijkbaar met Utrecht. Er zijn twee universiteiten en er is industrie. Het is dus niet een ingeslapen toeristisch dorpje. De claim to fame van de hoofdstad van Estland is dat Skype er is ontwikkeld. Geen geringe prestatie voor de mensheid.

Welnu, in deze ontwikkelde stad van enige omvang was het schoon. Op het vliegveld was nergens rommel te bekennen. De straten waren geveegd en opgeruimd. Ik heb geen chipszakje of kartonnen drinkbeker gezien. In de parken en winkelpassages was het netjes.

Aha, het kan dus wél proper en opgeruimd zijn in de publieke ruimte in de 21e eeuw. Ik informeerde bij een introverte Est naar het geheim van de schone stad. Zijn er continu ploegen straatvegers aan het werk? Zijn er gepensioneerden die tegen een hongerloontje de rotzooi van de middenklasse opruimen? Is er sprake van de dreiging van een torenhoge boete als je iets op straat gooit? Hij moest lachen om mijn suggesties. ‘Het geheim? Gewoon je eigen rotzooi opruimen.’

Columns
AD RotterdamsDagblad.
> lees verder
Loutermail:
willemijn.dicke@gmail.com
Feeds:
atom/rss