Mannen en hitte

Het is lekker warm, dus zien we elegante jurkjes, blote benen, spaghettibandjes. Tot zover de vrouwen. Dan mannen en zomer. Het zal nooit iets worden tussen die twee. Pijn aan mijn ogen krijg ik van het Rotterdamse straatbeeld: harige witte benen -de schenen geven licht- die uit baggy korte broeken steken. Die broeken zijn harstikke geinig bij tieners, maar voor een volwassen kerel zijn al die extra zakken en ritsen en lusjes wat infantiel. Bovendien kan die vijftiger een strakke snit gebruiken om de goede features te benadrukken en de wat hangerige (c.q. dikke of slappe) lichaamscontouren te verhullen. De broek is niet het ergst. De Rotterdamse mannen dragen het liefst sandalen onder die korte broek. Dan zijn er twee soorten mannen. De eerste draagt de sandalen met sokken. Dat is erg. Maar nog erger zijn de sandalen zonder sokken die zicht bieden op te lange en vergeelde teennagels en eeltige hielen.

Op mijn werk is het niet anders. Mannen dragen teenslippers, korte broeken en een enkeling verschijnt in een hemdje met wijde armsgaten. Het scheren van allerlei lichaamshaar mag dan gemeengoed zijn in Nederland, tot die categorie mannen behoren mijn collega’s kennelijk niet. Complete oerwouden gedijen onder de oksels. Tijdens ons zakelijk overleg groeit het bosje nog minstens een paar centimeter.

Ook het aantal “naar-het-werk-fietsers” neemt met het mooie weer toe, dus ook weer volop mannen die bezweet aankomen op het werk. Hun rug is een groot nat wegdek door de rugtas. Tegen de tijd dat hun rug weer droog is, stappen de zurig ruikende heren weer op hun fiets naar huis.

Neem dan landen waar men gewend is aan de hitte. Mannen flaneren in geperforeerde kalfslederen schoenen, linnen broeken met een messcherpe vouw en een gekleed shirt. Zelfs een hoed is niet aanstellerig bij deze mannen.

Nu de opwarming van de aarde een feit is en wij in Nederland moeten gaan wennen aan Mediterrane temperaturen in de zomer, hoop ik dat de Rotterdamse mannen iets opsteken van de zuidelijke landen. Het kan heus: gekleed zijn op de hitte zonder dat je eruit ziet als een overjarige tiener op vakantie in Torremolinos.

Het chagrijn bij eco-supermarkten

Ik doe mijn best, op mijn manier. Ik ben parttime vegetariër. Nooit zal ik een plofkip kopen. Als ik de keuze heb uit twee komkommers, zal ik het onbespoten exemplaar kiezen. Kortom: ik wil graag biologisch veganistisch ecologisch bio-dynamisch eten, maar dan moet ik de producten gewoon kunnen kopen in de supermarkt bij mij in de buurt.

Een enkele keer, als ik toch in het centrum van Rotterdam ben, bezoek ik de Groene Passage. Naast misschien wel de beste lunchzaak van de hele stad, is daar een biologische supermarkt gevestigd. De winkel doet mij denken aan de buurtsuper van vroeger: kleine mandjes en smalle gangen tussen de volgestouwde schappen.

Ik pak de kleine winkelmand en maak een keuze uit 88 soorten quinoa, fantastische kazen, zuurdesembrood en vers gebrande noten. Tussen de gebroken tarwekiemen valt me opeens iets op. Niemand lacht hier. De klanten zijn ernstig, maar vooral het personeel valt het leven zwaar. Ik vermoed dat je enigszins gedeprimeerd moet zijn om in aanmerking te komen voor een positie bij deze eco-supermarkt- of dat je dat je op zijn minst moet kunnen faken dat je depressief bent. Ik begrijp het ook wel: hoe kun je nu lachen en lol maken terwijl de aarde ontegenzeggelijk door de klimaatcrisis naar de kloten gaat?

Opeens wil ik me snel uit de voeten maken voor ik ben aangestoken door deze slechte vibes maar dat is nog niet zo eenvouding. Er is slechts één kassa open en de rij blijft groeien. Als ik dan eindelijk aan de beurt ben, heb ik eigenlijk een plastic tas nodig, maar de make-uploze kassajuffrouw kijkt zo zuur dat ik het niet in mijn hoofd haal om een tasje te vragen. Ik prop de boodschappen in mijn jas, mijn zakken en de rest in een doosje. 60 euro bedraagt de rekening voor het halfgevulde winkelmandje. Bij Albert Heijn heb ik voor datzelfde bedrag een grote kar vol weekboodschappen.

Echt, ik doe mijn best maar er zijn grenzen. Pas als de prijs, service en humeur van de eco-winkel enigszins in de buurt komen van de supermarkten, kom ik nog wel eens terug.

Stadsinitiatief: een jackpot van 3 miljoen

Niemand kan tegen burgerinitiatieven zijn. We delen onze weerzin tegen beleidsambtenaren met hun strategische oriëntaties, projectleiders die vergaderen in projectgroepen die gecontroleerd worden door stuurgroepen die vragen om afstemmingsmomenten met alle relevante stakeholders en die toetsen of de plannen binnen gestelde wettelijke kaders passen. Na al die rondes inspraak is zelfs het wildste idee een braaf compromis geworden. Dus: lang leve burgerinitiatieven. Niks vergaderingen en beleid. Surfen op de energie van de bewoners. Burgers weten veel beter wat goed voor Rotterdam is dan de bewoners van de Coolsingel.

Ook ik liep warm voor de eerste ronde van het stadsinitiatief van Rotterdam. Maar nu, bij ronde 3, ben ik sceptisch want ik zie ik vooral commerciële initiatieven die niet een publiek belang dienen, maar een dienst voor een kleine groep beogen. Ik omarm commerciële plannen voor toerisme of vermaak. Maar als het ondeugdelijke business cases zijn, die slechts aan het financiële infuus van het stadsinitiatief in leven kunnen blijven, zijn het slechte ideeën die ons belastinggeld niet verdienen.

Mijn tweede bezwaar gaat over het bedrag van 3 miljoen euro uit publieke middelen waarover geen deugdelijke afweging heeft plaatsgevonden. De indiener met de meeste vrienden wordt het. Punt. Dat vind ik net zo oneerlijk als de populairste leerling in de klas die bij stemming een 9 voor zijn spreekbeurt krijgt. In een goed werkende democratie wordt de minderheid juist beschermd tegen de wil van de getalsmatige meerderheid.   

Mijn derde overweging is dat het stadsinitiatief aanzet tot het tegenovergestelde gedrag van wat het beoogt. In de bestuurskunde heet dat ‘perverse prikkels’. Met het stadsinitiatief willen we ideeën van onderop de kans geven. Wat gebeurt er in de praktijk? Professionele bureaus halen de buit binnen. De graadmeter is immers welke organisatie het best in staat is om stemmen te trekken.

Wat is dat toch met Rotterdam en stemmen: eerst worden we gevraagd om te stemmen op een gebiedscommissie zonder zeggenschap en geld, nu zijn we onderwerp van een verleidingscampagne van commerciële clubs die azen op de jackpot van 3 miljoen. Ik verlang bijna naar beleidsambtenaren die vergaderen en sonderen en afstemmen en de wettelijke kaders onderzoeken.

Een ongenode gast

‘Wie zich aan een ander spiegelt, spiegelt zich zacht.’ Ik overhoor mijn dochter. De lesstof bestaat uit spreekwoorden. We zitten achter de Mac op de eerste verdieping want de frasen zijn zo ouderwets, dat ook ik de betekenis moet opzoeken op internet. Opeens horen we gebonk en geritsel in de tuin. Mijn man loopt naar beneden en ziet nog net hoe een man een aanloop neemt tegen onze schuur, op het dak probeert te klimmen, maar dan via onze struik weer naar beneden valt. De jongeman staat op ons binnenplaatsje, gekromd. Hij kijkt strak naar beneden en ontwijkt iedere blik. Als mijn echtgenoot informeert wat er aan de hand is, vertelt de man dat hij zijn knie heeft bezeerd. Het zat namelijk zo. Zijn nichtje was haar bal kwijt. Hij had aangeboden om die bal dan wel even te zoeken en om die reden liep hij over onze schuur. Hij was net per ongeluk van het dak gevallen en bij ons in de tuin beland. Mijn man is erg begaan met deze voorbeeldige oom en biedt hem van alles aan: ijs om de knie te koelen misschien? Of een pleister? Gaat het allemaal wel? De jongen bedankt beleefd. ‘De volgende keer hoef je toch niet op de schuur te klimmen om te zoeken naar een bal’, zegt mijn man gemoedelijk. ‘Je kunt toch gewoon aanbellen?’ De man knikt, nog steeds iedere blik ontwijkend. De balzoeker vraagt of hij door de schuurdeur in plaats van via het dak weg mag. Dat vindt mijn echtgenoot onzin. De ongenode gast mag natuurlijk gewoon via de voordeur ons huis verlaten. De man mompelt iets van bedankt en vertrekt.

Mijn dochter en ik werken het rijtje gezegden af en informeren dan bij mijn man wat er eigenlijk aan de hand was, zonet. Tijdens de reconstructie van mijn man val ik van mijn stoel. Wat een naïviteit! ‘Je begrijpt toch wel dat dit een inbreker was die ‘m probeerde te smeren?’ Ik begin over politie, signalement, aangifte doen. Mijn dochter neemt het allemaal niet zo zwaar op: ‘Wie goed doet, goed ontmoet.’ Laten we het hopen.

Floreren

Een paar jaar geleden bezocht ik de Eurogames, het belangrijkste homo sport evenement van Europa. Het feest vond plaats in Lantaarn t Venster. Een vriendin van mij was destijds nog niet uit de kast. Ze wilde wel gaan, maar had niemand om haar te vergezellen. Ik wilde graag, als was ik een echte cupido, vrouwenharten voor haar veroveren en drong mezelf enigszins op om met haar mee te gaan. Ik deed mijn hoge hakken aan en zette mezelf goed in de lippenstift. Klaar om te stappen.

Die avond bleek ik de enige op hoge hakken te zijn. Er was kennelijk meer wat mij anders maakte. Ik kon er niet precies de vinger op leggen, maar iedereen liet mij links liggen. Er werd aan alle kanten contact gelegd, gelachen, gedanst en geflirt, behalve met mij. Mijn goede vriendin verbaasde zich dat ik mijn status van paria niet begreep. ‘Er staat hetero in hoofdletters op je voorhoofd geschreven! Je bent niet zoals wij.’ De contacten die mijn vriendin die avond legde, ontstonden duidelijk ondanks, en zeker niet dankzij mijn aanwezigheid. Mijn vriendin was in de wolken: ‘Het is zo prettig om nu eens niet de uitzondering te zijn, maar de norm.’

Ik moet aan die avond denken nu ik op het Nederlands kampioenschap school schaken rondloop. Ik begeleid het team van de Kop van Zuid. Er hangt een ongedwongen sfeer in de sporthal tussen de schaakborden. Het is nerds nerds en nerds wat de klok slaat. Vrolijke nerds. Oude nerds. Uitgelaten nerds. Slimme en nog slimmere nerds. Piepjonge nerds. Nerds die trots zijn op hun prestaties, en die bewonderd worden door andere nerds om hun waanzinnig goede schaakpartijen. Vergeet verlegen slungels of schuwe pubers. Hier floreert men.

Dan pas valt het kwartje. Nerds zijn hier niet de uitzondering, maar de norm. Wat maakt dat een verschil. Ik wens vurig dat iedereen zijn eigen universumpje vindt waar een ieder dat kan doen wat hem of haar gelukkig maakt, met louter aanmoedigende en goedwillende omstanders. Zo’n omgeving is er voor iedereen, daarvan ben ik overtuigd. De een moet alleen wat langer en beter zoeken dan de ander.

Hippe fietsen toestanden

Die hippe fietsen toestand had ik even gemist. Tien jaar geleden kocht ik mijn laatste fiets bij een bejaarde fietsenmaker op het platteland. In de kleine winkel stonden uitsluitend functionele fietsen. Toen ik hintte naar een sportiever model, praatte de fietsenmaker dat onmiddellijk uit mijn hoofd. ‘Stadse fratsen.’ Ik was toch moeder? Dan moest er een kinderzitje voorop kunnen, mevrouw. Verder een lage instap, een stevige bagagedrager en een oerdegelijke fietsenstandaard. Een half uur later stond ik buiten met mijn nieuwe fiets van dertien in een dozijn. Nergens ook maar een spoortje frivoliteit. Zelfs de bel en de snelbinders waren standaard.

Mijn fiets is op miraculeuze wijze tien jaar uit handen van de Rotterdamse fietsendieven gebleven. Het gebrek aan onderhoud begint zich nu te wreken. De fiets kraakt klagend als ik de Erasmusbrug bestijg; hij trapt door en schakelen moet ik met beleid doen. Tijd voor een nieuwe fiets.

Met het vakantiegeld in the pocket stap ik een fietsenwinkel binnen. ‘Zoekt u een stadsfiets, trekkingfiets of een lifestylefiets?’, vraagt de verkoper die zo elegant gekleed is dat hij ook in een showroom van designmeubels had kunnen staan. Waar is de bejaarde fietsenmaker met zwarte nagelranden? ‘Misschien een retro-fiets?’ Ik word geïntroduceerd in een nieuw universum van carbon belts, flip flop achternaven en ballonbanden. De liefde voor de fiets spat van de ontwerpen af. Nog meer keuze. Wil ik een cruiser, een chopper of misschien een low rider? Ik ga nog niet meteen over tot de aanschaf want ze mogen dan mooi zijn, die Duitse ontwerpen; het prijskaartje verschilt nogal van de Chinese fabrieksprijzen.

Op mijn oude fiets rijd ik naar huis. Tien jaar lang heeft-ie prima voldaan. Maar nu, na het zien van al dat moois, voel ik me opeens een enorme sukkel op mijn normalemensenfiets. Ik ging om een fiets te kopen die niet kraakt en soepel schakelt en nu kan ik me geen leven voorstellen zonder designfiets die ik kan customizen.

‘Stadse fratsen’, fluistert de bejaarde fietsenmaker in zijn blauwe werkjas in mijn oor en eenmaal thuis besluit ik mijn fietsketting maar eens te smeren.

Spreekbeurten en ouders

'Donderdag moet ik trouwens mijn spreekbeurt houden', zegt onze negenjarige zoon. Hij staat net op het punt om naar bed te gaan. Ik vloek binnensmonds. Hij weet deze datum al minstens 2 maanden, en nu, 3 dagen voor d-day word ik terloops ingelicht. Dat is niet de reden dat ik ontstemd ben. Ik neem het mezelf kwalijk. Natuurlijk had ik moeten weten dat er een spreekbeurt aan zat te komen. Geordende ouders nemen de stand op aan het begin van het schooljaar. Ze maken een jaarplanning, een maandplanning en een weekplanning. Jaloersmakend. Nooit onverwachte toetsen, boekbesprekingen en spreekbeurten. Waarom moet het in huize Dicke er altijd adhoc aan toe gaan?

Pedagogisch is het natuurlijk het best om hem te laten zwemmen. Hij moet ervaren dat als hij zelf niets plant, er brokken van kunnen komen. Dus ik informeer nog enigszins ferm hoe hij denkt deze opdracht te kunnen realiseren. ‘Gewoon, morgenmiddag met jou aan de spreekbeurt beginnen en eraan werken tot die af is,’ is zijn antwoord. Als hij mijn frons ziet, worden de rollen plotseling omgedraaid. Hij stelt me gerust. Heus, het is allemaal haalbaar.

En zo verdiep ik me de volgende dag in het heelal. Ik stuit op spectaculaire feiten. Zo is de maan eigenlijk een stukje aarde. Ooit, toen de aarde nog een vloeibare bol was, is er een klontje vanaf geslingerd en dat noemen we nu de maan. Er zijn meer sterren in het universum dan zandkorrels in de woestijn. In een paar uur verzamel ik indrukwekkende feiten voor bij de borrel. Eerder al werd ik expert in het paargedrag van pinguïns (heel lastig balanceren, die bolle lijfjes op elkaar); in de productie van zuurstof (de helft van alle zuurstof op aarde wordt geproduceerd door zeewier -dus wat nou al dat gedoe over het verdwijnen van het regenwoud?); en in atletiek (Usain Bolt haalt op de 100 meter een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur).

Het was even hard werken, maar ook deze spreekbeurt is tot opluchting van zoon en ouders weer prima gegaan. ‘Trouwens’, zegt hij als ik hem die avond instop. ‘Maandag heb ik een boekbespreking.’

Ladiesrun

‘Loop je dan op hoge hakken?’ vraagt mijn collega aan wie ik vertel dat ik zondag meedoe aan de Ladiesrun. Ik leg uit dat ik niet op mijn stiletto’s zal rennen, maar dat de wedstrijd deze naam heeft omdat er uitsluitend vrouwen aan mee mogen doen. Mijn mannelijke collega vindt het maar raar, zo’n damesloopje. Emancipatie enzo. Durven we ons soms niet te meten met de mannen?

Ach, ik had het kunnen weten. Typisch een mannenopmerking. Alsof alles draait om competitie. Hij zit er helemaal naast. Als er één wedstrijd is waarin werkelijk niemand bezig is met winnen van anderen, dan is het dit loopje wel.

Neem de wedstrijd over de 5 kilometer. Vergeleken bij een marathon mag dat een kippen-afstandje zijn, maar daar gaat het dus niet om. Vooral onder de deelnemers aan deze afstand lopen veel vrouwen vandaag hun eerste wedstrijd ooit. Ze hebben nog nooit gesport in hun leven maar nu is het roer radicaal omgegaan. Hen gaat hen niet om een tijd die wel of niet een halve minuut sneller zou kunnen. De prestatie is dat het hen is gelukt om afgelopen maanden met regelmaat te trainen en conditie op te bouwen. Dat zie je goed bij de finish waar vrouwen elkaar trots in de armen vallen. Ze hebben het gehaald! Maar ook in andere opzichten ontbreekt het wedstrijdelement. Veel deelnemers zijn hier vooral om sponsorgeld voor stichting Pink Ribbon op te halen. Er zijn ook groepjes vrouwen die samen lopen om op die manier een dierbare te herdenken die aan borstkanker is overleden.

Om de verbondenheid met het goede doel uit te drukken, is de dresscode roze. Dat nemen de deelnemers erg serieus. Niemand loopt in haar oude kloffie. Er zijn roze shirts, roze sokken en bijpassende roze oorbellen. Ik ken geen andere hardloopwedstrijd waar vrouwen zo verzorgd, met gestifte lippen, dikke lagen mascara en geföhnde haren aan de start verschijnen. Veel dames dragen een hardlooprokje: toch iets flatteuzer dan zo’n strakke broek. Misschien had mijn collega gelijk. Ook deze vrouwen zijn competitief. Het wedstrijdelement is echter niet de eindtijd, maar het uiterlijk.

Ik heb nog twee dagen om een goede outfit te scoren.

Columns
AD RotterdamsDagblad.
> lees verder
Loutermail:
willemijn.dicke@gmail.com
Feeds:
atom/rss