Een vol nest, maar toch anders

Kinderen. Er was een tijd van buffelen -dat baby’s ’s nachts wakker werden, en overdag behoed moesten worden dat ze hun vingers niet in stopcontacten staken, uit het raam vielen of onder een auto liepen. Dat was ook de tijd dat er geen vermaak voor de kinderen bestond zonder een leidende rol van ons, de ouders. In die tijd wilden kinderen best stoeien, dansen, kleien. Maar alleen met papa of mamma. En ja, kleine kinderen willen eten. Niet wanneer jij dat hebt gepland, maar wel als je net in die Pasen- of Pinksterfile richting Rockanje of Ouddorp bent beland. Als die kleintjes niet willen eten, moeten ze poepen of slapen of juist niet slapen. Ze willen alles of niets, maar alleen met jou. Inslapen met jou, voorgelezen door jou, getroost door jou, gevoerd door jou.

Die periode duurt kennelijk 8 jaar. Opeens zijn mijn man en ik aan ons lot overgelaten. Onze dochter (10) heeft aangegeven dat ze niet meer door haar ouders naar school wil worden gebracht. Onze zoon (8) vindt het prima als zijn ouders ’s avonds op stap gaan of een vergadering hebben, maar als hij in godsnaam geen oppas hoeft te verduren.

Die avonden zonder ouders gaan verrassend goed. Laatst kwamen mijn man en ik thuis na een avond uit. Tot onze grote voldoening waren de chips en frisdrank niet eens op- en oja, hadden we die lucifers eigenlijk niet moeten verstoppen? Kennelijk niet.

Ook de middagen veranderen. Na schooltijd blijken onze zoon en dochter andere afspraken te hebben. Ze gaan zelf op de fiets bij vriendjes en vriendinnetjes langs. Tijdens schoolvakanties zijn er kampen van scouting of atletiek of koor. Onverhoopt zitten mijn man en ik dus opeens met zijn tweeën aan de ontbijttafel. Dat is minstens 10 jaar geleden. We maken iets van die nieuw verworven vrijheid natuurlijk. We gaan hardlopen in de duinen van Oostvoorne, we bezoeken een opening van galerie AT388 op Kop  van Zuid en we gaan uit eten op Katendrecht. Dat zijn leuke gebeurtenissen. Maar jee, we zijn de hele dag samen. Praten over de kinderen kunnen we wel. Nu nog gesprekken over al die andere zaken die ons aan het hart gaan.

Menselijke gebaren bij het detentiecentrum

Een tijd terug sprak ik een pastoor die als vrijwilliger op bezoek gaat bij mensen die vastzitten in het detentiecentrum Rotterdam. De vreemdelingen die hij bezoekt, zien uit naar zijn komst. Eens in de week een hebben ze een gesprek met iemand van buiten, iemand die naar hen luistert. Eens in de week een onderbreking van de sleur.

Tijdens een van de bezoeken vertelde een vrouw aan deze pastoor dat er een gebrek was aan ondergoed onder de vrouwen die in vreemdelingenbewaring zaten. Hij noteerde de maten van de vrouwen en publiceerde vervolgens in zijn parochiekrant een oproep voor bh’s en onderbroeken in de volgende maten. Op zijn volgende bezoek had hij tassen vol ondergoed bij zich.

Ik was geraakt door deze actie. Aan de ene kant is het een mini-gebaar: hoe moeilijk kan het zijn om een paar bh’s bij de HEMA te kopen en te bezorgen bij de detentiecentra? Aan de andere kant is het groots wat deze pastoor doet. Hij maakt met deze actie een verschil voor de mensen in vreemdelingenbewaring. Natuurlijk staat ook de pastoor met lege handen. Hij kan de wet niet veranderen. Hij kan de poorten niet openzetten. Maar hij kan wel luisteren. Hij neemt hen serieus. Eindelijk zijn de vreemdelingen gezien en gehoord.

Momenteel zijn er  bijna100 mensen in hongerstaking in het detentiecentrum in Rotterdam. Instanties als de Europese Commissie, Amnesty International en de Nationale Ombudsman hebben al vele kritische rapporten geschreven over de Nederlandse vreemdelingenbewaring. Die rapporten hebben tot nu toe nog geen verandering gebracht. Ook de zelfmoord van Dolmatov heeft nog niets veranderd.

Zolang de vreemdelingenbewaring blijft bestaan, zijn persoonlijke acties zoals van deze pastoor hard nodig. Hetzelfde geldt voor de maandelijkse wake. Een trouwe groep van ongeveer vijftig mensen verzamelt elke eerste zondag van de maand op het kale stuk asfalt voor het detentiecentrum. Ik heb niet de illusie dat de beslissers in Den Haag sidderen voor een groep die gezamenlijk ‘we shall overcome’ zingt. Daar ben ik te realistisch voor. Ik hoop dat de vreemdelingen vanuit hun cellen zich gezien en gesteund voelen. Deze menselijke gebaren zijn klein en ontoereikend, maar tegelijkertijd het enige wat we hebben totdat dit inhumane systeem eindelijk is afgeschaft.

Coole bejaarden hang-out

Die sportdagen en kleedjesmarkten zijn leuk, maar nu is het tijd voor volwassen vertier. We willen naar iets wat hip & happening is. De kinderen zijn uit logeren en nu gaan mijn man en ik het stadsleven van Rotterdam terugveroveren.

We gaan naar LantarenVenster. Ruim voor aanvang van de film zijn we aanwezig en nemen als een van de eersten plaats in de zaal. Na ons druppelt de rest van de bezoekers binnen. In de uitverkochte zaal zitten welgeteld 10 mannen. Het publiek bestaat uit vrouwen van middelbare leeftijd die opvallen op door hun gewoonheid. De dames hebben gestreepte vestjes aan, ze hebben hun zilveren haar netjes gekapt in een praktische korte coupe, en dragen hun handtasje kruislings over de borst. Het lijkt alsof Bergen op Zoom met een bus naar Rotterdam is gekomen.

De dames komen in groepjes binnen. Ze zijn een avondje uit en dat zullen wij weten. Ze giechelen en ze bijten op zuurtjes die bedoeld zijn om op te zuigen. Opeens valt het kwartje. We bezoeken de film ‘Boven is het stil’. Het is een verfilming van het gelijknamige boek van Gebrand Bakker. Dit zijn leesclubjes die het boek met de film vergelijken.

Na afloop van de film drinken mijn man en ik een biertje. Een groepje grijze dames gaat naast ons zitten. ‘Heb je het gehoord van Arie? 67 nog maar,’ zucht een dame met een enorme boezem. ‘Ja, dat is erg’, antwoordt een andere vrouw, maar we moeten het nu over de film hebben.’ De oudste vrouw in het gezelschap die zo dun en teer dat ze iets van een vogeltje wegheeft, opent de evaluatie. ‘Ik vond de film wel goed. Maar je weet, ik vind een film niet zo gauw slecht.’ Een andere vrouw frummelt het boek van Gebrand Bakker uit haar handtas en bespreekt minutieus de verschillen tussen de film en het boek. Haar observaties vallen op onvruchtbare bodem. ‘Wat een mooi uitzicht hier’, zegt het vogel-dametje. Al gauw gaat het gesprek weer over Arie die dood is.

Met onze strategie die gericht is op het beleven van coole hotspots in Rotterdam, zijn we tussen de bejaarden uit de provincie beland. Dat zegt natuurlijk niets over Rotterdam, maar alles over ons.

Luizen

In de pauze van mijn werk ga ik even de stad in. Ik zoek praktische schoenen met een lage hak die heel comfortabel zitten. De missie slaagt en ik loop langs een terras waar mijn collega's hun broodje kaas eten. 'Ik heb net een belangrijke bespreking gehad, ik kon niet met jullie mee' zeg ik, wijzend op mijn enorme tas waaruit een schoenendoos steekt. 'Ik zie dat jullie eruit zijn gekomen' antwoordt mijn mannelijke collega. De laarsjes zijn sexy en geweldig en lichtblauw en natuurlijk weer met een veel te hoge hak.

Thuisgekomen, nog steeds op vleugeltjes dankzij de shopping therapy, krabt mijn dochter zich toch wel erg veel op haar hoofd. Trouwens, ik heb ook al de hele dag jeuk gehad. Het zal toch niet, niet alweer?

Ik inspecteer de hoofdhuid van mijn dochter zoals apen elkaar vlooien. Ik zie iets. Is het een beestje of gewoon een dingetje? Het dingetje beweegt. Het is dus een beestje. En nog een. En nog een. Het effect van de shopping therapy smelt als sneeuw voor de zon. Ongedierte dat krioelt op je hoofdhuid -daar helpt geen laarsje aan, hoe blauw ook.

De rest van de avond gaat op aan het bestrijden der luizen. Ik schrob de schedels van het gezin met chemische goedjes. Daarna volgt het kammen met een speciale netenkam. De beestjes vallen als rijpe appeltjes uit onze haren. Ze liggen even spartelend op hun rug om dan brutaal weer verder te kruipen. Met onverholen genoegen druk ik ze dood. Sommige luizenlijfjes laten een rood spoor achter. Mijn bloed. De rotzakken. Met kammen alleen zijn we er nog niet. Ik verschoon alle handdoeken en de bedden. Die avond draaien vele wasmachines, met beddengoed, jasjes, petten en knuffels.

Het is niet de eerste keer dat ons huis wordt geteisterd door een luizenplaag en dat geeft toch te denken. Uit het niets creëren wij Rotterdammers een Tweede Maasvlakte, we transporteren warme lucht door kilometerslange buizen, we vangen CO2 af dat we ondergronds opslaan en in het Erasmus Medisch Centrum vinden elke dag medische wonderen plaats. Maar effectieve luizenbestrijding lukt ons in de 21e eeuw nog niet. Zou het een manier van het universum zijn om ons een beetje nederigheid te leren?

Marktwerking in de thuiszorg

Stel, je bent een mevrouw van 86 jaar. Je woont godzijdank nog zelfstandig in Rotterdam-Zuid, maar je bent een beetje krakkemikkig. Dat mag ook wel, met al die jaren, toch? Gelukkig heb je thuiszorg. Al tien jaar lang komt de hulp Wil eens per week bij je thuis. In al die jaren heeft ze nog  niet een keer afgebeld. Ze komt eigenlijk alleen om te poetsen, maar ze doet meer. Ze post een brief, maakt een praatje tijdens de koffie en ze neemt boodschappen uit de stad voor je mee. In het begin kwam Wil altijd 4 uur poetsen. Door bezuinigingen is dat de laatste jaren 3 uur geworden. Althans, Wil krijgt er nu maar 3 betaald- ze werkt nog steeds hetzelfde aantal uren. Ze bezoekt jouw verjaardag en daar heeft ze jouw zoon en dochter ontmoet.

Een paar jaar geleden kreeg je een herseninfarct. Wil was de eerste die in het ziekenhuis op bezoek kwam. Je bent nooit meer hersteld van dat infarct. Het praten wil niet meer zo. De woorden die in je hoofd zitten, komen zo rot over je lippen. Als je je zoon bedoelt, zeg je ‘boom’. Als je het over je dochter hebt, zeg je ‘honger’. En als je boos bent, zeg je ‘deur.’ Niemand begrijpt nog wat je zegt, maar Wil heeft na 10 jaar aan een half woord genoeg. Dus als je begint over ‘honger’, vraagt ze hoe het met je dochter is.

Je hebt vorige week te horen gekregen dat Wil niet meer mag komen werken bij jou. Wil liet een drieregelige brief van haar werkgever zien. Ze is ontslagen. Een andere thuiszorgorganisatie heeft het contract bij de gemeente Rotterdam gewonnen. Na tien jaar dienst krijgt Wil nog geen maand tevoren te horen dat haar baan ophoudt. Wil vroeg haar werkgever nog om een getuigschrift. ‘Daar doen we eigenlijk nooit aan’, was het antwoord.

Vandaag is de laatste werkdag van Wil bij jou. Je huilt van boosheid. Wil is niet alleen jouw hulp in de huishouding, het is jouw vertrouwde kracht in een verwarrende wereld. Het enige wat over je lippen komt, is een luid ‘deur deur deur!’ en Wil knijpt in jouw hand.

Gestolen applaus bij de marathon

Af en toe schrijven mijn hardloopmaatje en ik ons in voor een wedstrijd in Rotterdam. Ik jog bescheiden afstanden op een nog bescheidener tempo. Zo’n loopje is een goede stok achter de deur om tussentijds de trainingsarbeid enigszins op peil te houden. Die stok bestaat uit eergevoel. Ik wil niet heel veel langzamer dan mijn vriendin lopen en hoeveel smoezen ik ook heb gehad om een slechte wedstrijd te lopen, mijn prestatie moet wel acceptabel zijn. Dat is namelijk het eerste waar iedereen naar vraagt: wat was je tijd?

Mijn tempo is al minstens twintig jaar constant op de tien kilometer: 58 minuten. Dat is een belabberde tijd, maar het goede nieuws is dat ik feitelijk mezelf verbeter. Ik word immers ouder, maar weet nog steeds dezelfde tijd te realiseren.

Een paar keer deed ik mee aan de marathon van onze stad. Ik liep niet de volledige 42 kilometer, maar ik deed mee aan de estafette-variant. Bedrijven kunnen zich inschrijven met teams van vier personen en ieder loopt zo’n beetje 10 kilometer. Estafette-lopers zijn herkenbaar aan een sjerp. Veel supporters ontgaat het estafette-lint en moedigen ons net zo gul aan als de echte marathonlopers.

De keren dat ik meedeed aan de marathon-estafette heb ik mijn beste tijden gelopen. Dikke rijen supporters spoorden me aan. Iedereen wenste de lopers het allerbeste toe. De vette beats van de bandjes en trommelaars zweepten me op. Kinderen klapten, bejaarden zwaaiden met vlaggetjes. Het laatste stuk kon ik nog voluit sprinten, geduwd door de menigte.

Hoewel zo’n muur van aanmoediging een machtige ervaring is die ik iedereen kan aanbevelen om minstens eens in zijn leven mee te maken, doe ik inmiddels niet meer mee. Ik voelde me een fraudeur. Ik was ingestapt na zo’n 32 kilometer. Lopers om mij heen vergingen van de pijn, liepen krom van de kramp of moesten stoppen om over te geven. En daar liep ik dan tussen, fris als een hoentje. Hoewel ik me het gejuich graag liet aanleunen, voelde het toch een beetje als gestolen applaus.

Dus zondag geen marathon voor mij. Wel ga ik zaterdag naar de Kidsrun waaraan mijn dochter meedoet. Voor haar geen gestolen applaus maar oprechte aanmoediging van een trotse moeder.

Rouw om de Schouw

Café de Schouw wordt verkocht en voor wie dat niet weet: dat is heel erg. De Schouw is zonder twijfel de meest bijzondere kroeg van Rotterdam. Door de week is het rustig- te rustig. Op vrijdagavonden echter wordt het nieuwe kunstwerk in De Aanschouw gewisseld. Deze ‘kleinste galerie van Nederland’ is precies een raamlengte breed. Op die avonden staan kunstenaars met verfspatten op hun handen naast havenarbeiders, ambtenaren, professionele alcoholisten en bloedmooie studenten. Geen kroeg heeft een rijkere mix aan bezoekers. Ooit begon De Schouw als journalistencafé. Inmiddels komt er nog wel een gevallen journalist die voor gerenommeerde vakbladen schrijft, maar daar blijft het bij.

Ik ga er altijd voor één biertje naar binnen, vooruit nog eentje dan. Tegen sluitingstijd sla ik op schouders van volslagen onbekenden of vertel mijn diepste geheimen aan een havenbaron uit Ierland. Dat is het mooie van de Schouw: je weet nooit hoe de avond zal verlopen en wie je zult ontmoeten.

De verkoop van een café hoeft natuurlijk niet het einde van de kroeg te betekenen. Het kan een geruisloze wissel achter de schermen zijn. Maar dat is hier niet het geval. Het eerste wat de beoogde nieuwe eigenaar deed –discobaron Aziz- was het barpersoneel ontslaan. Hij wilde een ‘frisse wind’ laten waaien in de Schouw. Het gebrek daaraan is juist wat de Schouw de Schouw maakt. Bovendien:  barmensen zijn geen inwisselbare baliemedewerkers. Zij zijn de belichaming van de ziel van de Schouw.

Eigenlijk wilde Tineke, de blonde barvrouw, de kroeg kopen. Maar haar bod was lager dan van de concurrerende koper. Zij heeft nu beslag laten leggen op de Schouw om zo een stokje te steken voor de verkoop. Ik duim voor haar en ik ben niet de enige met de fantasie om de koop ongedaan te maken: ‘Ik ga vanavond de #Schouw kopen. Biertje voor biertje. #instituutdeschouw, twitterde @chrisvdmeulen.  Een uitstekende strategie om mee te beginnen. In aanvulling daarop kunnen de vrienden van de Schouw ieder misschien 100 euro doneren om zo het bod van Tineke substantieel te verhogen? Er zijn toch met gemak 500 vrienden te vinden? Zet nog even een eindsprint in Tineke. Je doet het niet alleen voor jezelf, maar voor het culturele erfgoed van Rotterdam.

Een bijzonder weekend

Mijn dochter en ik hebben al weken uitgekeken naar de komende dagen. Vader en zoon zijn samen op kamp van de scouting. Terwijl de mannen in de vrieskou kamperen bij Olivier van Noort, zullen wij als stadsmeisjes de tijd doorbrengen, is het plan. Warme chocomel in het ene café, misschien een film bij Lantaarn ‘t Venster, en wie weet nog wat shoppen. De voorraden chips en cola zijn aangelegd. Ons kan niets meer gebeuren.

Het loopt anders. Mijn tienjarige dochter was al een paar dagen wat lusteloos, maar als het weekend begint, is ze opeens hondsberoerd. Ze klaagt over oorpijn. Nee, ze hoeft geen chips en laat die warme chocomel ook maar zitten.

Die nacht kruipt ze sinds lange tijd bij mij in bed. Elke drie uur wordt ze kreunend wakker. De paracetamol is dan kennelijk weer uitgewerkt. Ze hoeft me niet te wekken want ik ben wakker nog voordat zij haar ogen open doet. Het is net als tien jaar geleden, toen ze als baby tegen me aan lag. Ik haal glazen water, verschoon haar doorweekte pyjama en spreek betekenisloze woorden uit om haar te kalmeren. Ze valt weer in slaap om na een paar uur weer ijlend wakker te worden. Het kreunen wordt kermen. ‘Mamma, ik heb zo’n pij-ij-ijn.’ Drie dagen ligt ze in bed. Ze slaapt, ze zweet, ze ijlt en ze kermt. Het is lang geleden dat ik me zo machteloos voelde als moeder.

Alle plannen vervallen en daarvoor in de plaats komt een enorme rust: ik volg het slaap-waak ritme van mijn dochter. Ik pers een sinaasappeltje uit als ze wakker is, of maak een bad voor haar klaar. Haar een beetje verlichten als ze wakker is, dat is alles wat er is.

Op zondagmiddag betreden de mannen ons huis weer. Ze ruiken naar kampvuur en mannenzweet en praten met schorre stemmen. Ze hebben samen mooie dingen meegemaakt. Als mijn man vraagt hoe ons vrouwenweekend is geweest, wil ik aanvankelijk iets zeggen over de hevige koorts en ziekte maar ik bedenk me. Mijn dochter en ik hebben in tijden niet zulke intieme dagen beleefd op de vierkante centimeter, samen in dezelfde tijdloze cadans. En ik antwoord: ‘het was een bijzonder weekend.’

Columns
AD RotterdamsDagblad.
> lees verder
Loutermail:
willemijn.dicke@gmail.com
Feeds:
atom/rss