Ik smste de oppas die gewoon maar kon, zomaar. En ik belde R. die wilde, zomaar. Ik bekeek de bioscoop agenda en zag dat de gebroeders Coen allang uitgedraaid waren. Mijn tempo is niet meer die van de wereld. Wat zullen we dan doen, met een hele avond? Theater? Sauna? Diner?
We gingen van kroeg naar kroeg.
Ik wilde R., na 30-40-50 kroegen ontdekt te hebben (in het kader van de kroeg stukjes voor het Rotterdams Dagblad, bedoel ik) de pareltjes van Rotterdam laten zien.
Eerst naar Voigt, uit te spreken als Voogt, alwaar wij drie potten sambal kochten bij de sambalman die kroeg na kroeg afloopt met -zogezegd- huisgemaakte sambal. Is dat iets typisch rotterdams? Mij worden niet langer rozen aangeboden, maar potten sambal.
Daarna naar Timmer, waar een Kaapverdiaan aan de bar alles even rustig als geamuseerd bekeek. We spraken met een dronken gewezen miljonair, althans, dat zei deze man, die ook zei dat hij in het vreemdelingenlegioen heeft gevochten. Hij zei nog veel meer, maar die dronkaard kon me niet boeien. De kaapverdiaan wel. Hij was met pensioen en genoot. Van wat dan ook. Zijn rust, humor en mildheid intrigeerden me en ik vroeg of we elkaar nog tegen zouden komen. 'Zeker', antwoordde hij, zonder me te vragen naar mijn adres of naam of welke coordinaten dan ook die de kans op ontmoeting zouden kunnen vergroten. 'Wij gaan elkaar zien', zei hij alleen maar, en ik weet dat dat zo is.
Vervolgens naar de Schouw, waar een man me verzekerde dat hij een gevallen journalist was. Hij werkte nu voor bedrijfsbladen enzo. Maar ook daarin hield hij zijn standaard hoog: hij werkte louter voor gerenommeerde vakbladen.
We fietsten hard over de Erasmusbrug en toch waren we nog te laat voor de oppas.
Dat was lang geleden, zomaar, ongepland, een avond met mijn man in de kroeg.
Geen film, geen theater, alleen maar kroegbezoekers die langer in mijn hoofd dolen dan welke personage in toneelstuk of boek dan ook.

