Verliefdheid

Veel vrouwen worden eerder verliefd op schoenen dan op mannen en ik ben een van hen. Op zo’n dag dat ik best wat liefde kan gebruiken –en we moeten de lokale economie stimuleren, niet waar- besluit ik naar Both te gaan. Dat is een schoenenzaak die nog een echte winkel is, met verkoopsters die verstand hebben van hun koopwaar. In andere winkels ziet het kauwgomkauwend personeel de komst van een klant als hinderlijke onderbreking. Zo niet bij Both. Als ik de rijen laarzen monster, informeert een grijze dame bij de verkoopster naar ‘de oude mevrouw Both.’ Er ontstaat een vriendelijk gesprek dat minstens 50 jaar beslaat. Ik pas een paar laarzen van Floris van Bommel. De verkoopster zegt tegen mij ‘dat Floris dat altijd heel leuk doet.’ Floris doet het zo leuk dat ik tot de aankoop overga.

Sinds ik de laarzen heb gekocht, heb ik niets anders meer gedragen. Tot ik een paar uur geleden uitgleed over een glad trappetje. Ik ben lelijk gevallen, maar dat kan me niet schelen. Veel erger vind ik dat mijn hakken zijn afgebroken. Allebei mijn Florishakken zijn ruw ontworteld uit het voetbed en als pas getrokken kiezen laten ze grote kraters achter.

Dat was niet de eerste tegenvaller deze week. Al eerder heb ik mijn lievelingstrui verwassen. En dan is er ook nog mijn broek. Ik heb een nieuwe zwarte broek gekocht waarvan een knoopje loszit. Ik wil de knoop best aanzetten, maar de inhoud van mijn naaidoos is uiterst mager. Ik heb een stuk of zes reis-naaigarnituren die ik de afgelopen jaren uit hotels heb meegenomen. Tussen de verzameling kartonnetjes met wat garen van bescheiden lengte ontbreekt helaas de kleur zwart. Dan breng ik de broek wel even naar de Turkse kleermaker bij ons om de hoek op de Vuurplaat. Wel wat lui en gemakzuchtig, maar och, voor 2,50 zetten ze de knoop er weer aan.  Als ik een paar dagen later de broek kom ophalen, blijkt deze zoekgeraakt. Mijn dure geweldige broek, nog nooit gedragen, is kwijt!

De liefde komt kennelijk niet van twee kanten: mijn laarzen zijn kapot, een trui is drie maten te klein gewassen en mijn broek is zoek. Misschien moet ik mijn verliefdheid voortaan ergens anders op richten.

Schaatsen zullen we

Al minstens anderhalve week is de mensheid in tweeën gedeeld in Nederland: zij die maar geen genoeg kunnen krijgen van al het schaatsnieuws; en zij die zich ergeren aan al die opwinding over een beetje ijs.

De mensen uit de eerste groep hebben een tour gereden, ze houden continu het nieuws bij over het kwaliteit van het ijs in de regio, ze wisselen de beste adresjes uit voor het slijpen van schaatsen, ze nemen vrij om een lange tocht te kunnen maken en wie gaat er mee naar Friesland.

Ik behoor tot de tweede groep. Ik heb hoge noren en ik kan heus schaatsen, tamelijk goed zelfs, ahem. Maar schaatsen is gewoon niet zo mijn sport, met die snerpende wind, de koude voeten en benen die na zo’n uurtje op het ijs nog weken aanvoelen als schuurpapier. Mijn kinderen zijn ook geen schaatsers. Ze klagen over pijn in hun voeten en koude wangen. Als ik de keuze aan hen zou laten, gaan ze liever sleeën. Maar nu komt het: ze hebben geen keus. Geen haar op mijn hoofd die overweegt om verstek te laten gaan in die ene winter dat we eindelijk het ijs op kunnen. Schaatsen zullen we. Kennelijk vind ik dat horen bij de Nederlandse opvoeding, net als het kennen van het Wilhelmus. Balkenbrij moet je trouwens ook een keer geproefd hebben. Waarom eigenlijk? Waarom staan we op het ijs als niemand van het gezin dit echt wil?

Pas toen ik een vriend uit Maastricht over carnaval hoorde praten, begreep ik mijn eigen heilige moeten. Die vriend heeft in zijn hele leven nog nooit één carnaval overgeslagen. ‘Sommigen zeggen dat je na drie dagen en drie nachten carnaval weer gereinigd bent, dat je daarna weer een schone lei kunt beginnen. Maar dat is onzin. Op aswoensdag ben je dood.’ En nu komt het: ‘Carnaval vieren doe je niet voor jezelf. Je doet het voor de stad. Samen vier je de identiteit van de stad. Je offert jezelf op voor een hoger doel.’ Precies zo sta ik met mijn kinderen op het ijs. Wij hebben nog dágen schrale lippen en pijn in onze benen. Maar we doen het niet voor onszelf. We schaatsen voor volk en vaderland.

Vestia-bashing

Marco Pastors zal gevloekt hebben toen hij het Vestia-nieuws hoorde. Alleen al in Rotterdam -Zuid heeft Vestia 7.000 woningen. Nu de gemeente en het Rijk blut zijn, zijn woningbouwcorporaties hard nodig voor het opknappen van Rotterdam Zuid. Maar de spaarpot van Vestia blijkt leeg. De woningbouwvereniging heeft verkeerd gegokt met risicovolle financiele producten. Ze heeft nu ruim 1 miljard verloren en niemand weet tot welk bedrag dat kan oplopen.

Vestia-bashing is verleidelijk want alles is ergerlijk aan deze situatie. Het mega-salaris van de voorman bijvoorbeeld. Ik gun ondernemers hun salaris. Zij dragen risico als hun bedrijf failliet gaat. Maar een half miljoen is te riant voor meneer Staal, die bij een organisatie werkt die het kapitaal opbouwde uit publieke middelen en waarvoor altijd een vangnet zal worden gecreeerd bij dreigend faillissement. De overheid zal niet toestaan dat bewoners van uit 90.000 woningen gezet worden. De lusten bij de directeur, de lasten bij de belastingbetalers. Dat klopt niet.

Toch is er een achterkant aan het gelijk. Veel woningbouwcorporaties werden in 1994 verzelfstandigd. Een win-win situatie, zeiden we toen: er gaat geen overheidsgeld meer in de corporaties, tegelijkertijd hebben ze wettelijk dezelfde taken. Het liep anders. Al snel regende het incidenten, van regelrechte fraude tot risicovolle investeringen die uit de klauwen liepen. Zo hadden we in Rotterdam de PWS-affaire en natuurlijk de aankoop van de SS Rotterdam. In veel affaires hadden directeuren hart voor de zaak. Ze willen meer en groter. Ze zijn ondernemend en opereren buiten gebaande wegen, precies wat we beoogden met de verzelfstandiging. Het probleem is dat die ondernemingszin meestal gepaard gaat met een nog groter ego. Die mannen moeten dus tegenspraak krijgen, binnen en buiten de organisatie. Daar ontbreekt het aan. Zonder weerwoord gaan die mannen -het zijn altijd mannen, zucht- vanzelf geloven in hun luchtkastelen.

Vestia-bashing helpt niet bij de ambities voor Rotterdam Zuid. Wat dan wel? Laat meer, en vooral verschillende ogen meekijken over de schouder van bestuurders. Vreemde ogen dwingen. Creeer tegenspraak binnen de organisatie. Recruteer leden van de Commissarissen nu eens uit een iets breder kringetje dan de golfvrinden van de bestuurders. Zorg voor spreiding in leeftijd, achtergrond, expertise, in man en vrouw. Laat ik optimistisch eindigen: volgens mij is deze opgave in goede handen bij Marco Pastors.

IFFR, of dansen op de vulkaan

Nonchalant hip, zo zou ik de kledingstijl van de bezoekers van de openingsavond van het Internationaal Film Festival Rotterdam beschrijven. Dragen de dames op het boekenbal nog een gala- of cocktailjurk, op dit feest zie ik vooral cowboylaarzen met felgekleurde leggings, mannen in trainingsjekkies en vrouwen met bloedrode lippenstift. Een enkele dame heeft een feestjurk aan, maar die praat dan weer met een man die zijn parka-jas binnen aanhoudt. De uitstraling van het publiek is vooral: ‘het is wel feestelijk, maar we gaan ons niet opdoffen, nouja, we doffen ons wel op maar niet op een manier die iedereen meteen ziet.’

De geraffineerde nonchalance van het publiek kan niet verhullen dat men hier alles behalve zorgeloos en onverschillig is. Dat blijkt al uit de speeches voorafgaand aan de openingsfilm. De directeur van het festival introduceert verschillende speciaal genodigden. De manier waarop de zaal reageert per gast, blijkt de voorbode voor de hele avond: burgemeester Aboutaleb krijgt een goed applaus; de internationale regisseurs baden in een vet applaus. Dan heet de voorzitter de staatsecretaris van cultuur Halbe Zijlstra welkom. De zaal reageert met luid boegeroep. Een vrouw naast mij fluit op haar vingers, om mij heen hoor ik niets anders dan gejoel.

Deze avond gaat over geld, en vooral over het gebrek daaraan nu de overheid veel subsidies schrapt. Geld is ook het onderwerp van de volgende speech, van de zakelijk directeur. Zij vertelt  hoe ze met allerlei nieuwe acties geld bij het publiek heeft binnengehaald en wie de nieuwe sponsors zijn. De beklemmende openingsfilm leidt ons even af van de geldzorgen, maar de gesprekken rond de dansvloer gaan al snel weer over financiën. Zoals anderen aan elkaar vragen wat ze van het weer vinden, of hoe een vakantie was, is de openingszin op dit feest eensluidend: ‘Hoe is het bij jullie? Zijn jullie er volgend jaar nog?’ Veel bezoekers werken bij culturele instellingen. Musea en instituten en centra die nu voor 80% afhankelijk zijn van subsidies van de gemeente of van het ministerie, komen volgend jaar helemaal op eigen benen te staan. Weinigen zijn hun baan zeker. Pas tegen middernacht verdwijnen de rimpels en de zorgen eindelijk. We dansen met zijn allen op de vulkaan.

De tafel van de koningin

Mijn man kwam thuis met een wc-bril met dolfijnen. Twee atletische dolfijnen maken duiksprongen in het tropisch blauwgroene water. Hoe heeft het zo ver kunnen komen? Design, voor minder deden we het niet. Design stoelen, design lampen en design in de badkamer. Dat was de stand van zaken, lang geleden, toen we nog geen kinderen hadden. In die tijd gingen we naar de meubelwinkel IkWoon in het Entrepotgebied. De verkoper prees een tafel aan met de woorden dat de koningin een tafel van dezelfde ontwerper in haar bezit had. Ik werd acuut hebberig en die tafel staat nog steeds bij ons in de keuken.

Toen kwamen er kinderen. Flesjes melk klotsten over de dure bank en al het designservies brak. Karrevrachten aan speelgoed drongen ons huis binnen. Ik riep de hulp in van de meubelzaak waar we de tafel hadden gekocht. 'Wat moet ik hiermee?', vroeg ik, wijzend op de bergen speelgoed. 'Een keertje opruimen misschien?' was het antwoord van de binnenhuisarchitect.

Het huis was een stuk voller met al dat speelgoed, maar het was nog presentabel. Dat veranderde toen de hond kwam. Het was een lieve pup, maar alleen-zijn was niet zo zijn ding, zeg maar. Hij knaagde aan de bank. We dekten het licht beschadigde deel toe met een Ikea-kussentje. Een maand verder was de bank zo aangevreten, dat er een krater was ontstaan in de zitting. Het kussen ligt nu als een knikker in een diepe kuil. Hij knaagt ook graag aan plinten en een pas gestucte muur is ook best lekker.

Soms kijk ik met de ogen van een vreemde naar ons huis. Wat een uitdragerij: stoelen met vlekken, een aangevreten bank, happen uit de wand en tekeningen op de muur. En sinds kort dus een wc-bril met dolfijnen -mijn man had de kinderen meegenomen naar de Gamma en dan krijg je dat soort aankopen.

Gelukkig hebben we het pronkstuk nog, de tafel van de koningin. Gisteren waren mijn kinderen lief aan het tekenen aan de tafel. Ik hoorde 'Oepsie'. Mijn dochter was uitgeschoten met de viltstift. Natuurlijk was dat uitgerekend met de enige watervaste stift gebeurd. Het enige wat ons rest is een kroontje over deze krassen te tekenen, als herinnering aan andere tijden.

Hoe we de Luchtsingel laten betalen door 020

Vandaag kocht ik een plank. Hij kostte vijfentwintig euro. En dan heb je een bijzonder stuk hout. Het is een van de 17.000 planken die nodig zijn om een voetgangersbrug tussen het centraal station en de Hofbogen te bouwen. De houten brug heet ‘de Luchtsingel’. In New York is zo’n brug op grote hoogte boven het verkeer een groot succes: mensen flaneren, er is gezelligheid en levendigheid.

Het bijzondere aan onze brug is de wijze van financiering. In deze tijden van crisis moet je niet bij de overheid aankomen met zo’n buitenissig project. In plaats van de overheid betalen wij de brug. Samen. Iedereen, particulier of bedrijf, kan een plank kopen. In ruil voor het bedrag mag de gulle gever de bedrijfsnaam of zijn eigen naam vermelden op de plank. 

Ik heb de namen van mijn kinderen erop gezet. ‘Beetje gierig mamma, twee namen voor de prijs van een plank’, vonden mijn kinderen.

Ik blijk niet de enige te zijn die de namen van mijn kinderen wil tonen in de openbare ruimte van Rotterdam. Op de site van I Make Rotterdam staan de vermeldingen tot nu toe. Bedrijven als Vestia, RET en Bram Ladage vermelden hun bedrijfsnaam. Particulieren schrijven ofwel hun eigen naam, of de naam van hun kind. Er zijn ook een paar liefdesverklaringen: ∞ Freek ♥ Suzanne ∞. Ook mooi: I ♥ PERCEY BOOM xxx carmen. Meerdere mensen willen op de planken hun stad vereeuwigen: Worpelaars ♥ Roffa! Of Kees die schrijft: voor altijd in rotterdam – kees.

De koop van de planken is ook toegestaan aan bewoners van andere steden. Dus krijg je dingen als: Er gaat niks boven Groningen! En, een tikkie gevoeliger: guidoz #020 bouwt #010 ;-)

Toen ik die laatste vermelding las, kwam ik op een geweldig idee. Er zijn veel meer dan 17.000 Amsterdammers die in Rotterdam willen getuigen dat 020 boven 010 gaat. Al die Amsterdammers hebben best 25 euro over om hun stad op te hemelen in hartje Rotterdam. ‘Over mijn lijk’, zult u als echte Rotterdammer vinden. Maar denkt u eens in: die Amsterdammers betalen dus gezamenlijk wel een prachtige brug voor ons. 020 die onze infrastructuur betaalt: een uitstekende oplossing in tijden van crisis toch?

Winterstilte

Deze week ben ik ver van Rotterdam. Als ik 's ochtends naar de bakker loop, zijn de voetsporen van mij en mijn hond de eerste in de sneeuw. De weinige geluiden die er zijn, worden gedempt door door een dikke sneeuwlaag. De bakker en zijn vrouw kennen hun producten en in hun aanprijzingen beschrijven ze met trots precies het verschil (in ingredienten, in knapperigheid, in de mate waarin het vult) tussen dit of dat brood. Als ik terugwandel met een rugzak vol broden naar ons huis zijn er misschien een paar voetstappen bijgekomen.

We zitten hier in de Haute Savoie, aan de voet van de Alpen in een skigebied waar ten minste 30 jaar niets is veranderd. Voor de skipas is een pasfoto nodig. Die kunnen ze niet maken bij de kassa met de skipassen en dus moet je naar de VVV. De foto wordt daar vervolgens door een aardige ambtenaar uitgeprint en uitgeknipt. Met dat uitgeknipte fotootje melden we ons weer bij de kassa van de skipassen. Niets sensoren of chips of andere high-tech oplossingen: een uitgeprint fotootje op een papiertje volstaat.

De ochtenden zijn bijzonder, maar het mooist zijn de nachten. Aan het einde van de middag verschijnt de maan, eerst nog als een doorschijnend zijde-papiertje tegen de nog blauwe lucht. Als de nacht vordert, verschijnen ook de sterren. Wat is het lang geleden dat ik zoveel sterren aan de Rotterdamse hemel heb gezien.

Nu zou ik natuurlijk moeten eindigen dat ik in deze sneeuwstilte Rotterdam mis -en dat is ook wel zo. Hier zijn geen kroegen waar je onverwacht bekenden tegen het lijf loopt, er is geen theater met verontrustende stukken en het filmfestival laat hier in de Haute Savoie ook nog even op zich wachten. Maar wat ik niet mis uit Rotterdam zijn de opgefokte automobilisten; de frietbakjes die over straat schuiven; de stadswachten die bij elke faux pas van mij met zijn vijven tegelijk onder een steen vandaan kruipen; het auto-alarm dat midden in de nacht klinkt; het grove gescheld in het openbaar vervoer. Voor nu wint de stilte het van de stad.

Volgende week moet ik weer inburgeren in Rotterdam. Ik sluit niet uit dat ik een integratiecoach nodig zal hebben.

De olifant, het kerstcircus en ik.

Mijn kerstvakanties kennen één constante en dat is een bezoek aan het kerstcircus. Ahoy verzamelt de beste acts ter wereld en ik geniet van de trapeze-acts met de vrouwen met vleeskleurige panties, de kleine turbochinezen met hun ongelooflijke acrobatiek, de wel erg blonde Russische dames met hun sledehonden.

Ik fantaseer graag over de romantiek van het circus. Zij leven het vrijbuitersbestaan waarover ik alleen maar durf te dromen vanuit mijn rijtjeshuis. Zij verkeren tussen alle nationaliteiten van de wereld, leven met vuur en vlam voor hun vak. Een paar keer mocht ik backstage tussen Russen, Nederlanders, Roemenen, Chinezen in hun badjas over hun glitteroutfit. In de kantine was nog maar weinig over van de bravoure. Een Spaanse halfgod, net nog met zijn lange haren los in de piste met een zweep-act, liep op pantoffels met zijn haren in een staartje. Niks woeste macho meer. Het was een vriendelijke buurman geworden. Ondanks deze onthulling, bleef ik verliefd op de parttime-vagebonden van het circus.

Dit jaar ga ik voor het eerst niet naar het kerstcircus. Het komt allemaal door mijn zuster, de olifant.

Vorig jaar zat ik op een prachtige plek, vlakbij de piste. De olifanten sjokten langzaam de ring in en gingen op commando zitten en tilden hun poot op.  Die grote beesten, die zouden moeten draven in de jungle, die met hun rug in de modder zouden moeten rollen, liepen nog maar eens een rondje in de piste.

Toen de oude olifant een buiging maakte, keek zij mij recht aan. Deze olifant zei tegen mij: ik ben je zuster en ik houd van  jou. Ze keek zo droevig, alsof ze het leed van de hele zaal op haar grote rug meedroeg.

Die avond werd ik middenin de nacht wakker. De olifant keek me weer aan.

Sinds die nacht ga ik niet meer naar het circus. Het is geen statement; ik kan gewoon niet anders. De trapezewerkers, de clowns en de acrobatiek vind ik fantastisch. De Spaanse macho trouwens ook. Maar mogen alsjeblieft de wilde dieren terug naar hun natuurlijke leefomgeving? Mijn kinderen en mijn man moeten een beetje lachen om mijn gekkigheid en gaan ook dit jaar weer naar het kerstcircus. ‘We nemen wel een suikerspin voor je mee, mam.’

Columns
AD RotterdamsDagblad.
> lees verder
Loutermail:
louterlog@gmail.com
Feeds:
atom/rss