Te chagrijnig om te bedenken wat ik wilde eten, laat staan wilde klaarmaken, kocht ik schandalig assemblagevoer in. Het had er ook mee te maken dat R. niet thuis zou eten: ik geloof niet dat ik hem zoiets zou durven voorzetten.
De kinderen doe ik altijd groot plezier met witte bonen in tomatensaus. Er stond nog een pan met een behoorlijke rest rijst. Witte bonen met rijst. Geen slechte basis. Ik liep in een volgend schap. Vooruit, ook nog een rookworst. Die eet ik allang niet meer, maar de kinderen likken hun vingers tot hun ellebogen af.
Voor mezelf kocht ik tofu en ook een voorgesorteerd pakje groenten.
Alles kon in de magnetron opgewarmd worden.
Piep voor de bonen, piep voor de rijst. En ook nog een piep voor de worst.
Fantasieloos.
En behoorlijk smakeloos.
De kinderen aten twee borden en zeiden dat ik altijd zo lekker kook.
Ik gaf ze een extra vitaminepil.
Ik wilde ze vroeg in bed hebben.
Eerst matte ik ze na het eten af met voetbal, buiten. En tikkertje.
Om zeven uur zei ik dat het de hoogste tijd was om naar bed te gaan. Rijkelijk vroeg in ons gezin, maar ze kunnen nog geen klok kijken.
Om half acht was er rust in huis, met als enig geluid het monotone gezoem van de vaatwasser.
Tijd om het chagrijn weer van me te laten afglijden. Chagrijn, verongelijkt zijn. Kinderachtige emoties. Niet nodig ook, weet ik. De wereld kan er heel anders uitzien. Morgen zal alles anders zijn.
Vast.

