Mijn broer reist een dezer dagen af naar Afghanistan, als militair. Hoe een goede reis te wensen, hoe afscheid te nemen? Alle wensen zijn licht absurd, want die horen bij reizen als vakantie, reizen als plezier.
Maar afscheid zou er komen. We hadden een familiefeest van een soort oom. Ik stond tussen al mijn neven en nichten op een Rotterdams partyschip. Er was beenham in zoetzure saus, er was een keyboard en een veel te goede zangeres die de nieuwe Hazes zou kunnen zijn (en ik wilde haar vragen waarom ze optrad op een partyschip voor 100 man en niet in Ahoy stond maar liever dan haar levensverhaal uit haar mond te horen, verzon ik het zelf, een vermakelijk tijdverdrijf dat ik kan aanraden) en iedereen danste. Ook ik. Op Living Doll. Het was naar alle maatstaven een uitstekend feest.
Toen het schip om twaalf uur weer aanmeerde, gingen mijn broer, mijn vader en ik per taxi naar mijn lievelingskroeg. En daar, in een cafe zonder herrie, bespraken we Dingen en Vragen en Anekdotes. We lachten en we dronken en we bestelden er nog een. Mijn moeder, in 1995 overleden, schoof even aan en zag dat het goed was.
Na sluitingstijd gingen we gedrieen naar mijn huis en we dronken tot het licht werd.
Vanochtend namen we afscheid. En hoewel alles en niets gezegd was die nacht ervoor, putte ik toch weer uit het vakantierepertoire. Een goede reis. Pas op je zelf.

