Wel of niet op de fiets naar mijn werk, dat was niet eens een vraag vanochtend. Ik had er zin in. Hoe anders begint de dag met een uur fietsen.
[Onverwacht neveneffectje: de auto's werden opeens mijn vijand. Vieze, stinkende dingen. Ofnee, geen vijand. Ik verachtte ze meer. Niet de automobilisten, maar die blikken dingen. Ik genoot ervan hoe ze toeterden en stilstonden en langs elkaar probeerden te friemelen en de weg blokkeerden, terwijl ik er fluitend langsfietste.]
De terugreis. Het had de hele middag al gedreigd, maar toen ik op de fiets stapte was het grijs maar droog. Zienuwel. Het is bijna altijd droog in Nederland. Ik fietste langs vaarten, weilanden, een crematorium en een rommelig industrieterrein waar iedereen zich 'reus' of 'koning' noemt: de verfreus, de bandenkoning en nog meer variaties. Veel autokerkhoven ook. En een pony die in een weide staat waar een boksbal hangt.
Net voorbij de pony begonnen dikke, druppels te vallen. Loom bijna. Pas in de straat met de onverkoopbare huizen (sommige huizen hadden de borden van twee verschillende makelaars op hun raam geplakt) werden de druppels stralen.
In het begin trok ik mijn schouders op.
Alsof je dan minder nat wordt.
Bij het stoplicht sopten mijn voeten hoorbaar in mijn gympen. De mevrouw naast mij, zij wel in goede regenkleding en de oranje lippenstift nog fris in het beregende gezicht, zei dat het lang geleden was dat ze zo doorweekt was geweest. Ze keek er blij bij. Maken we dat ook weer eens mee.
Ik fietste verder. Mijn ademende (yeah, right) regenjakkie plakte aan mijn blote armen.
Bij de oude ingang van diergaarde Blijdorp zag ik Sammy schuilen onder een afdakje. Hij rookte een sigaret, vlakbij de flamingo's. Hij strekte zijn wijsvinger, een klein gebaar maar. Kijk omhoog, zei hij. Want dan word je lekker nat.

