Dit kan toch niet de armste stad van Nederland zijn?

In de gele bus van Splashtours zit een gezin uit de Verenigde Staten. Ze zitten net voor mij en ze praten luid, zoals alle Amerikanen de publieke ruimte met een jaloersmakende vanzelfsprekendheid voor zichzelf claimen. Zonder enige terughoudendheid delen ze al hun indrukken van de tour met de passagiers van de bus. Ongevraagd kom ik meer van hen te weten dan mij lief is: wat ze van de Rotterdamse restaurants vinden (bad service, good food); van het weer (lousy); van het verkeer (verbazingwekkend dat het goed gaat met al die fietsers zonder helm -ja maar we kennen de statistieken niet, misschien vallen er wel veel doden) en dit is nog maar de stof van de eerste tien minuten.


Op Katendrecht is het zo ver: de bus gaat te water. De Amerikanen juichen als de neus van de bus in het water klotst. Ze schijnen niet te merken dat anderen in stilte genieten. 'Een applaus voor de chauffeur/ kapitein!' roept de vrouw. Niemand in de bus klapt, behalve haar man en haar twee kinderen.


Opgewekt zetten ze hun commentaar op Rotterdam voort. De Maastoren ziet er goed onderhouden uit, vinden ze. Dat is geen goedkope constructie, weet de man. Die Erasmusburg lijkt wel net geverfd. De gebouwen bij de Veerhaven zijn heel mooi gerestaureerd, de Europeanen weten hoe ze hun erfgoed moeten bewaken. In Amerika maken we daar geen geld voor vrij, zegt de man. Kijk hoeveel er nog wordt bijgebouwd (we zijn inmiddels bij de bouwput van Rem Koolhaas op de Wilhelminapier). Als we de SS Rotterdam passeren, merkt de vrouw op tegen haar man 'Ik denk dat we het verkeerd hebben begrepen. Dat moet haast wel. Dit kan toch niet de armste stad van Nederland zijn?'


De man denkt even na. 'Misschien is de rest van Nederland nog rijker.' De vrouw is rap met haar reactie: 'Dat kan niet, want Nederland is een socialistisch land. Landen met zulke hoge belastingen zijn nooit welvarende landen.' Ze zegt het zonder aarzeling, alsof ze een wetmatigheid opdreunt. De man knikt instemmend. Deze puzzel over de rijke samenleving in een socialistisch belastingregime houdt de Amerikanen voor het eerst deze rit stil. Voor even.

Car cleaning

'Jouw auto stinkt naar natte hond', zegt mijn vriendin die bij me in de auto stapt. Dat is zetje dat ik nodigheb om me te verdiepen in het schoonmaken van auto's. De auto stinkt niet alleen, hij ziet er ook niet uit. De vloer van onze auto is een soort archeologische aardlaag geworden vol bodemschatten. Er liggen nog schelpen uit Frankrijk, kaartjes van de Efteling, een korst van een boterham, een gadget uit Nemo, een verdwaalde sok, afgekloven botten van de hond en een regenlaars. En dat is nog maar de oppervlaktelaag. Graaf je dieper, kom je oudheidkundige schatten tegen, zoals kleverige dropjes van een aantal jaren terug, een uitgeprinte vliegticket die we toen kwijt waren op Schiphol. Een stofzuigerbeurt bij het tankstation, bij zo'n slurf waar je een euro in moet gooien, is niet opgewassen tegen deze rotzooi.

Op Katendrecht is een straatje vol garages en autopoetsbedrijven. Ik kies voor 'Barak Car Cleaning', die zichzelf op hun website aanprijst als de 'Professionele autopoets service voor totale reconditionering van personen- en bedrijfsauto's.' Reconditionering. Dat is precies wat onze auto nodigheeft.

Als ik de auto om half negen 's ochtends aflever, zit de directeur achter zijn grote houten bureau in een kantoor met glazen wanden. Hij heeft een enorme lederen stoel, die het midden houdt tussen een fauteuil en een bureaustoel. De slanke man komt energiek naar me toe. 'Zo', zegt hij als hij onze auto van de buitenkant monstert. 'Deze auto is vies mevrouw.' Ik knik en kijk als een schoolmeisje naar de grond. De directeur bekijkt de stoelen, en dan de achterbank. 'Heel, heel smerig mevrouw.' Maanden heb ik in deze rotzooi rondgereden en ik zag het niet eens dat de auto wel een beurt kon gebruiken. Nu kijk ik door zijn ogen en schaam me een beetje.

Aan het einde van de dag kom ik de auto ophalen. De auto is van binnen en buiten helemaal gewassen, de bekleding is gestoomd, de matjes zijn gewassen. Het dashboard is smetteloos zwart. De ramen glimmen. In een plastic tas zitten alle dingen die ze van de bodem hebben geschraapt. Kijk! Ook mijn gouden kettinkje dat ik al drie jaar kwijt was zit erbij. Ik reken 120 euro af. Geen geld voor een nieuwe auto, toch?

Rellen

Tien jaar geleden kochten we ons huis op de Kop van Zuid. Het is een keurig wijkje, tikkeltje saai zelfs. Allemaal nette mensen. Vanuit het raam in de woonkamer kijken we uit op de Peperklip. Ooit bedoeld als machtig staaltje stadsvernieuwing, was het tien jaar geleden behoorlijk misgegaan. Er was veel overlast, wietteelt en nog veel meer transacties waarbij geen BTW bon werd verstrekt. Bewoners durfden hun opbergruimte op de begane grond niet meer in. Illegalen, die er ook nog woekerprijzen voor moesten betalen aan criminelen, hadden bezit genomen van de onderste ruimte en leefden in bagageboxen. Voor veel ramen hingen geen gordijnen maar waren afgescheurde kartonnen dozen geplakt.

Het was een abrupte overgang tussen ons aangeharkte wijkje en de verloederde Peperklip. 'Als er een opstand komt, zijn wij de eersten die eraan gaan', zei mijn man met de rellen in Los Angeles en later Parijs in gedachten. Inmiddels is de Peperklip aanzienlijk opgeknapt, maar het verschil tussen de wijk Stadstuinen en de Peperklip blijft levensgroot.

De Rotterdamse socioloog Willem Schinkel maakt in NRC een analyse van de rellen in Engeland. Hij heeft onderzocht dat bij alle rellen, of het nu in Parijs in 2005 en 2007, in Los Angeles of Brussel was, dat het steeds gaat om mensen die relatief arm, machteloos en politiek ondervertegenwoordigd zijn. Over de rellen in Parijs zegt Willem Schinkel 'Wat jongeren eisten was dat ze gezien werden (...). Wie niet op legitieme manier gezien en gehoord wordt, opteert vroeg of laat voor alternatieven. Daarin ligt een politiek streven naar erkenning.'

De relschoppers zijn jongeren die hun toegang tot de politiek moeten bevechten omdat ze geen andere middelen hebben. De les van al deze rellen is dat als een groep jarenlang gecriminaliseerd wordt, niet mee mag doen met werk, aan de kant staat bij beslissingen over hun wijk, hun stad of land, er uiteindelijk rellen ontstaan. Als dat allemaal waar is, vind ik de situatie in Rotterdam zorgelijk. Ook in onze stad is een groep jongeren die relatief arm, machteloos en politiek ondervertegenwoordigd is. Laten we niet investeren in bewakingscamera's en samenscholingsverboden, maar in echte representatie van alle groepen in Rotterdam. Het is ingewikkelder dan een paar bewakingscamera's ophangen, maar het is uiteindelijk de enige weg.

Cruisen op de coolsingel

Als ik me al met de auto verplaats, zwijg ik daarover tegen vrienden en kennissen. Die hebben NS-jaarabonnementen en vouwfietsen en kennen dienstregelingen uit hun hoofd. Auto's zijn energieslurpende moordmachines. Ik geef er ook niets om. Zo lukt het me maar niet om merken uit elkaar te houden. Ik sta regelmatig met de sleutel in mijn hand bij een verkeerde auto. Zelfde kleur, ander merk. Auto's spelen geen rol in mijn leven.

Mijn zoon daarentegen droomt al tijden van een cabrio. Om precies te zijn een zilveren Porsche met een zwart dak. Toen mijn kinderen een favoriete besteding van hun vakantiedag mochten kiezen, wist hij meteen dat hij wilde racen met een zilveren cabrio. Zo kwam het dat we een Chrysler Sebring Convertable voor een dag huurden. Hij vond 'm prachtig. 'Laat pappa maar parkeren.'

Met een cabrio touren op landweggetjes is misschien leuk, maar het ultieme doel van een cabrio is natuurlijk gezien worden in de stad. Met rapper DefP iets te hard uit de boxen sluiten we ons aan in de file op de Coolsingel. In een Chrylser Sebring Convertable heet file-rijden cruisen en dan is het opeens geen hinderlijk oponthoud meer, maar heerlijk loom genieten. Er is geen bestemming van de reis, het optrekken en remmen ís het doel.  Via de Coolsingel gaan we naar de Meent waar het ook lekker vast staat en mensen vanaf de terrasjes ons schaamteloos lang aankijken.

Ik had het niet verwacht, maar ik geniet. Wat is het lekker vet om te zoeven in zo'n grote bak -al weet ik niet precies waarom. Heb ik nu dan de esthetische kwaliteit van de auto ontdekt? Twitteraar @jvkup merkte op dat het de aandacht is en dat dat prettig is 'op mijn leeftijd'. Hij heeft gelijk. In mijn tien jaar oude Volvo heb ik geen weet van het auto-flirten. Met een Chrysler Convertable ziet de wereld er heel anders uit. Marokkaanse jongens draaien hun raampje open, een dikke man steekt zijn duim op, een stelletje kijkt met open mond naar ons. Eindelijk begrijp ik die middelbare mannen met hun te grote auto's. Ik zou het ook wel weten, als je toch kunt kiezen tussen een facelift en een cabrio om de aandacht te behouden.

Prince

Op een fiets met een kinderzitje achterop naar een concert van Prince -dat voelt een beetje out of tune. Een popconcert staat voor bravoure en onbegrensde mogelijkheden. Een kinderzitje staat voor een burgerlijk bestaan waarin je je hypotheek voldoet en waarin je op tijd aan het schoolplein moet staan. Aangekomen bij Ahoy blijkt mijn ongemak onterecht want het plein is bezaaid met fietsen met kinderzitjes.

Zelden heb ik zo'n gemêleerd publiek gezien als afgelopen dinsdag bij Prince. Er zijn middelbare vrouwen met eeltige hielen en tunieken op hun driekwartbroeken; er zijn stellen in identieke spijkerbroeken en spijkerjacks met daaronder een T-shirt van Prince uit 1986 of 1999, halve punkers, buitenlui  en kakkers in polo's met opstaande boordjes. Hoe verschillend ook, zoals we in de zaal zitten zijn we één: we dragen Prince op handen. Onvoorwaardelijk. Vanaf de allereerste kreetjes waarmee hij het concert opent juichen we. We applaudisseren voor zijn spagaat, voor zijn gitaarsolo. Voor alles. Dat gevoel om tussen gelijkgestemden te zitten die zonder reserve hun hart openen voor hun idool is minstens zo lekker als de muziek. Gedragen door alle mensen uit het publiek bereik je een staat van gewichtloosheid -voor een avond dan toch.

Een meisje in bloemetjesjurk wordt op het podium gevraagd. Ze mag met Prince dansen. De hele zaal wil even dat meisje zijn. Ze heeft een enorme tas om haar schouder, alsof ze zojuist nog boodschappen heeft gedaan bij de supermarkt.  Het is vertederend te zien hoe ze danst met de wereldster en ondertussen haar tas omklemt. Op het einde vraagt Prince meer mensen uit het publiek op het podium: mannen, vrouwen, oud en jong. Het is ongelooflijk aanstekelijk hoe iedereen volkomen opgaat in de muziek. De moves zijn lang niet altijd perfect maar dat doet er niet toe. Let's go crazy!

Na het slotakkoord pakt Prince de band van zijn gitaar en hangt de gitaar bijna terloops om de schouders van een man uit het publiek. De man kijkt vol ongeloof. Mag hij de gitaar echt even vasthouden? Prince loopt van het podium af en laat de man verbijsterd achter met de gitaar van his royal badness. Die man is nu gelukkigste jongen van de wereld. En ik overweeg om groupie van beroep te worden

Rotterdamse jonge helden op een Frans strand

Onze tent stond op een gigantische plek midden in de duinen. Vanonder de bomen hadden we prachtig uitzicht op zee. Met onze iPad op schoot voelden we ons pioniers die ons kampement hadden opgeslagen midden in de natuur -maar dan wel met de beschikking over een ijskast en een Auping matras. We hadden geen last van de andere bezoekers van ons strand. Het waren bescheiden Franse kindjes die zichzelf vermaakten.

Zo mijmerden we in onze luie stoelen over onze perfecte vakantie totdat vier Rotterdamse gezinnen op de camping arriveerden. Zeven kinderen namen bezit van ons liefelijke strandje. Man, wat een ruimte nemen Rotterdamse kinderen in. De oudste, van een jaar of dertien, had het op zich genomen om het hele strand te reorganiseren. Er moest softbal gespeeld worden, en ze hadden een paar extra mannetjes nodig. 'Hé gast', sprak hij een Frans jongetje met emmer en schep aan. 'Jij zit in ons team.' De Rotterdamse jongen trok aan het emmertje en zette het op de grond. Het Franse jongetje keek verbouwereerd. 'Jij gaat daar staan.'

Meer Franse kinderen moesten de gaten in het veld vullen en ze gingen gedwee staan waar de Rotterdamse jongens hen neerzetten. Het was meteen duidelijk wie de Rotterdammers en wie de Fransen waren. De Fransen waren schrieler -of de Rotterdamse kinderen waren een beetje vadsig. Het andere verschil was de haardracht van de jongens. Alle Rotterdamse kinderen hadden een Ralf coupe: lange haren die voor de ogen vallen. De Franse jongetjes hadden piekhaartjes met een pony die halverwege hun voorhoofd door hun moeder was afgeknipt. Het grootste verschil was echter het lawaai dat ze voortbrachten. De Franse kindjes hadden al dagen zonder noemenswaardig volume op het strand gespeeld. Dat was nu wel anders. Er werd opgewonden geschreeuwd en gejuicht. Wat er ook gebeurde, het was altijd aanleiding om veel lawaai te maken.

De Rotterdamse inspanningen bleven niet onopgemerkt. Al gauw kwamen Franse tienermeiden kijken. 'Wazz you name?' De ietwat vadsige heldjes lieten het slaghout voor wat het was en giechelden net zo hard als de meiden. De Fransoosjes deden niet mee in deze tienerflirt. Schielijk pakten zij hun schep en emmer op en keerden opgelucht terug naar de vloedlijn om schelpjes te rapen.

Aan de rand van een zwembad

Het is klam op deze zaterdagochtend. We zitten met ongeveer honderd ouders en grootouders op een plastic stoeltje rond het zwembad. Mijn zoon zal zo gaan afzwemmen voor zijn Diploma A. Hoge kinderstemmetjes komen boven de muziek uit.

Een rijtje kinderen komt aarzelend naar binnen in korte broek en T-shirt. Dikke kinderen, dunne kinderen. Donkere kinderen, blonde kinderen. Giechelende meiden die al borsten krijgen en schriele 5-jarigen die nieuwsgierig om zich heen kijken. Alle aanwezigen applaudisseren. Een vader naast me heeft een toeter meegenomen. Leuk voor in het voetbalstadion, maar heel wat minder aangenaam in een galmend binnenbad. Sommige kinderen kijken trots. Mijn zoon huilt. Doodeng vindt hij het lawaai, de mensen, het onbekende. Ik moet moeite doen om niet met hem mee te huilen.

De kinderen nemen plaats achter de startblokken. Mijn zoon weigert. De mensen van de zwemschool de Kikkersprong lossen het soepel op: komt zo wel jochie. Daar gaan ze. Kinderkoppies die net boven water blijven. Soms houdt een kindje stiekem de lijn vast en we doen allemaal of we dat niet hebben gezien.

Het publiek is een bonte mix. Naast mij zit een blonde oma in korte broek en hemdje. Aan de andere kant staat een gesluierde vrouw in een donker gewaad dat geen lichaamsdeel onbedekt laat. Achter ons zit een grote Arubaanse familie die verantwoordelijk is voor minstens de helft van het volume in hele zwembad. Al deze fans doen precies hetzelfde: we steken onze duim op als ons kind na een geslaagd baantje het zwembad verlaat. Als het kan, geven we een high five. We roepen onze kinderen toe. Goed gedaan en ga zo door. We maken foto's, heel veel foto's. We kijken trots als het druipend lijfje het heeft gered.

De afzwemkleren mogen uit en nu staan de lijfjes bibberend in een rij. Het spannendste moment is aangebroken. Ze moeten in het water springen en dan onder water door een gat in een doek zwemmen. Het eerste kindje doet de truc en iedereen applaudisseert. De gesluierde vrouw kijkt me trots aan. We glimlachen.

Aan de rand van een zwembad op een zaterdagochtend vallen alle verschillen moeiteloos weg. We zijn allemaal trotse ouders die het beste voorhebben met ons kind -niet meer en niet minder.

Zebrapad als wegversiering

Voordat ik in Rotterdam kwam wonen, heb ik in vijf andere steden gewoond. Die andere steden hebben gemeenschappelijk dat automobilisten remmen als een voetganger het zebrapad nadert. Let wel: de voetganger steekt nog niet eens over, hij maakt slechts aanstalten. Steden als Londen, Washington, Delft, Apeldoorn en Nijmegen laten dit extreme weggedrag van automobilisten en fietsers zien.

Met de ervaring van die andere steden in mijn benen stapte ik ooit voor de eerste keer onbezorgd een Rotterdams zebrapad op. Het was bijna dodelijk afgelopen. Op de tweebaans Laan op Zuid wist de eerste auto nog wel te remmen. De automobilist was kwaad dat ik het waagde om over te steken. De auto op de tweede rijstrook stopte niet en racete met onverminderde vaart door.

Ik wist toen nog niet dat automobilisten in Rotterdam het zebrapad vooral beschouwen als wegversiering. Het is een minimalistisch kunstwerk, uitgevoerd in witte en zwarte strepen. Automobilisten hebben er geen plezier, maar zeker ook geen last van.

Deze bijna-aanrijding is overigens geen incident. Cijfers van Rijkswaterstaat laten zien dat voetgangers in Nederland statistisch gezien de meeste kans lopen om te worden doodgereden op een zebrapad in Rotterdam.

Inmiddels weet ik dat ik mijn veilige overtocht moet afdwingen en ik heb een strategie ontwikkeld. Ik zet mijn rechtervoet alvast op het zebrapad. Hiermee claim ik een stukje van mijn territorium. Vervolgens probeer ik oogcontact met de automobilist te maken. Meestal mislukt dat. Als ik daarin wel slaag, kan ik oversteken. Dan is het zaak om niet te aarzelen want op de tweede rijstrook kan een automobilist altijd nog beslissen om niet te stoppen. Ferm en assertief loop ik door. Deze strategie is ingesleten: ik ben onbewust zeer bekwaam geworden in het oversteken.

Vorige week had ik bezoek uit Nijmegen. Omdat ik niet langer hoef na te denken over de gevaren die het zebrapad kan brengen, had ik nagelaten mijn bezoek te waarschuwen voor de Rotterdamse mores. De Nijmeegse vrouw en haar tienerdochter staken vrolijk kletsend over. De auto kon niet meer remmen en moest uitwijken naar de rechterrijstrook. Hij scheerde langs de tiener op.

Kunnen parkeerwachters niet eens een paar dagen bij een zebrapad gaan staan om bonnen uit te delen aan automobilisten die doorrijden op zebrapaden?

Verhaal-en-Beweging

Puberjongens hangen rond op straat. De ramen van enkele bovenwoningen zijn dichtgeplakt, uit andere ramen klinkt harde muziek. Mannen leunen tegen de deurpost en roken een joint. Kinderen schoppen tegen een frietbakje. Mijn beleving op een dinsdagavond beantwoordt aan mijn beeld van Charlois. Ik fiets verder en beland bij de Charloisse Kerksingel. Opeens is het rustig op straat. Het enige geluid komt van een paar merels. Midden op het pleintje staat een kerk met een groen perkje eromheen. Langs de singel staan dikke bomen. Op de hoek staat een groot café en ook nog een restaurant ernaast. Dit pittoreske pleintje is dus ook Charlois.

In een hofje ligt het Japans Cultureel Centrum  Shofukan. Daar komt 'De Verhaal-enBeweging' vanavond bij elkaar. Wat deze beweging precies is of wil of doet, is mij niet duidelijk. De uitnodiging maakte me nieuwsgierig: 'luisteren en verhalen omdat het anders moet in Rotterdam!'

Het Japans centrum is consequent sober ingericht met veel hout. Dennis Cleef heet ons welkom in de dojo. 'Ik ga natuurlijk niet uitleggen wat deze Beweging precies is of wat we doen want het moet wel een beetje ongemakkelijk blijven.'

Een half uur later staan zo'n 50 mannen en vrouwen in de tuin tussen de kersenbomen. Niemand kent elkaar maar al gauw vertellen de onderzoeker, de directeur, de  energie-coach die met bomen praat, de ambtenaar, de ondernemer en de kunstenaar aan elkaar 'hun verhaal van Rotterdam.' Wat dat dan ook is. Het gaat vaak over trots . 'We bouwen het grootste gebouw van Nederland op de Wilhelminapier, het Erasmus MC is het grootste ziekenhuis van Nederland, Roteb is de grootste werkgever van de regio. Over al die dingen hoor je nooit iemand. Dat moeten we uitdragen.' Over de diversiteit in Rotterdam, in mensen, gebouwen, buurten. Over hoe mooi Rotterdam is, met al dat water. Het was maar bij weinigen liefde op het eerste gezicht. Je moet een beetje je best doen, maar man, wat een stad ontdek je dan.

De initiatiefnemers van deze beweging hebben juist persoonlijke verhalen over Rotterdam gekozen omdat die aanstekelijk kunnen werken en het beginpunt van nieuwe ontmoetingen kunnen zijn. De 'Verhaal-en-Beweging' kent inmiddels 150 leden en staat op het punt om de stad te veroveren -let maar eens op. Het kan aan de sake liggen of misschien zijn het gewoon de goede vibes in de stille kersentuin in Charlois, maar ik vind 't nu al een prachtig verhaal.

Gat in de markt

Mijn fiets kraakt, er zit een slag in het wiel, de remmen zijn stroef en de ketting hapert. Af en toe moet zo'n fiets kennelijk onderhouden worden en ik ga dus naar een fietsenzaak. In zijn grijze stofjas kijkt de fietsenmaker me nors aan. Ik verbreek de stilte en vraag of mijn fiets gemaakt kan worden. 'Wij repareren alleen fietsen die hier gekocht zijn.' Ik druip af. Op naar de volgende fietsenwinkel. 'We zitten vol. U kunt over drie weken terecht.' Wat? Een wachtlijst voor een kleine beurt voor een fiets? Hebben we het hier over een staaroperatie of over een dotterbehandeling of zo? Dat krijg je ervan als iedereen maar beroemd wil worden in dit land. Leuk die Xfactor en the Voice of Holland, maar een dakdekker of fietsenmaker is niet meer te krijgen.

Ik neem de wachttijd voor lief en vraag waar ik mijn fiets dan zo lang kan neerzetten. 'Die kunt u hier niet laten staan. Kijk eens hoe vol het al staat. U moet over drie weken terugkomen. Als onze vaste klanten komen voor reparatie, gaan die natuurlijk voor.' Ik vertrek weer op mijn krakende fiets.

Thuis probeer ik mijn man over te halen om een fietsenzaak te beginnen. Dat is blijkbaar een gat in de markt. 'Hoe kom je daar nu bij? Ik kan niet eens een band plakken.'

Als ik me op een feestje beklaag over het gebrek aan fietsenmakers in Rotterdam, blijkt mijn buurman een geheim adresje te hebben. Misschien kan ik wel klant worden als ik zijn naam noem. Mijn poging om een fiets te laten repareren heeft veel weg van mijn zoektocht naar een huisarts en tandarts in Rotterdam, tien jaar geleden. Alles zat op slot en er waren ellenlange wachtlijsten. Alleen op voorspraak van bekenden konden we destijds ergens tussen worden geschoven.

Ik meld me op het Afrikaanderplein en noem de naam van mijn buurman. De fietsenmaker, een Surinaamse Hindoestaan, heet me welkom. 'Wat moet er gebeuren? Laat maar staan mevrouw. Vanmiddag om twee uur is de fiets gereed.' Die middag rijdt mijn fiets weer als een zonnetje. Ik schakel soepel en kan weer remmen.

Een maand later kom ik nog eens bij hem terug voor een kleinigheid. De fietsenmaker repareert mijn fiets terwijl ik wacht. 'Wat krijg je van me?' vraag ik met mijn portemonnee in mijn hand. 'Hoofdpijn', lacht de fietsenmaker en zwaait me uit.
Columns
AD RotterdamsDagblad.
> lees verder
Loutermail:
louterlog@gmail.com
Feeds:
atom/rss


Bestellen via Louterlog