Voor mijn rubriek 'de buurtkroeg' van het AD Rotterdams Dagblad, geplaatst 7 oktober 2009
De darters van de Schuimspaan spelen uit vanavond. Anders was het veel drukker geweest. Nu wordt er gekaart aan het ene tafeltje, twee mannen zijn aan het poolen en er zitten een paar stamgasten aan de bar. Een jongen van een jaar of zeventien bestelt nog een seven-up met een rietje. Hij staat de hele avond met zijn flesje voor zijn borst achter zijn oom die aan het kaarten is. Ik heb hem de hele avond niets horen zeggen.
De barvrouw is afgelopen weekend in Amsterdam geweest. 'Hoe was het in 020?' vraagt een man die binnenkort vader wordt, maar wat nog even geheim is, nouja, nu weten we het toch, dus laten we proosten. De naam van die stad kan hij niet over zijn lippen krijgen. En dat zal voor meer gasten gelden, gezien de Feyenoord parafernalia: blikjes, t-shirts, vlaggetjes en schildjes. Elke wedstrijd van Feyenoord wordt op grote schermen uitgezonden. En als ze thuis spelen, komen de supporters daarna hier nog iets vieren, of hun verdriet verdrinken.
Willem komt aan de bar staan en wil roken. Maar Richard, de eigenaar, is streng. Roken mag alleen in het rookhok. Willem is het er niet mee eens. Het is een stuk ongezelliger geworden sinds het rookverbod, vindt hij. Hij wil aan de bar een sigaret opsteken. 'Daar ben je nu een beetje laat mee', vindt de eigenaar. 'Dan had je maar mee moeten demonstreren tegen het rookverbod. Maar toen heb ik je niet gezien, voor het stadhuis.' Willem druipt af naar het rookhok.
Een van de stamgasten zegt dat hij terugwil naar Turkije. Niet vanwege Wilders, maar omdat het voorbij is met Nederland. We zitten we middenin de economische crisis, en ook op andere fronten zijn de gouden tijden voor Europa voorbij. Als hij in Nederland blijft, wil hij een handel opzetten. Maar waarin? Ik noem een paar fantastische ideeën. Bijvoorbeeld een valet parkeerservice voor vrouwen. Stel je voor, je rijdt een onbekende stad binnen, en een galante student wacht je op om de auto aan een grachtje of in een moeilijke plaats te parkeren. Een stukje paradijs op aarde, lijkt me. Hij laat me uitpraten en concludeert dan: 'Jij zult nooit rijk worden. Die dingen die jij opnoemt zijn er al, of niemand wil ze hebben.' Hij ziet meer in beveiliging van tankstations. Palen in de grond of slagbomen waar je pas voorbij kunt als je hebt betaald.
Het neefje bestelt een nieuwe seven-up. Met een rietje.

