Voor de rubriek 'Boefjes' in het AD Rotterdams Dagblad, geplaatst 7 december 2009
'Ik heb er niets mee te maken. Ik was het niet.' De jonge jongen spreekt zachtjes, nog maar net verstaanbaar. Volgens de officier heeft deze jongen een auto vernield. 'U schopte tegen de wielen, en u hebt een zijruit ingeslagen met uw boksbeugel, terwijl een man en zijn vriendin in de auto zaten.'
'Het was iemand anders' zegt de jongen.
De rechter houdt voor dat hij voldoet aan het signalement. Getuigen hebben verklaard dat de jongen die op de auto insloeg zijn haar in een matje droeg, een boksbeugel had, een pet op had en met zijn hond was. Net als de verdachte.
'Er zijn zoveel jongens met een pet, een matje en een hond. Een boksbeugel heb ik niet. Ik weet niet eens hoe zo'n ding eruit ziet.'
'De politie heeft verklaard dat u de boksbeugel weggooide toen zij u aanhielden.'
'Dat is niet waar.'
'Bovendien heeft de politie u vlakbij de auto aangehouden' zegt de rechter.
'Ik was de hond aan het uitlaten.'
Zo gaat het nog een tijdje door. Op elke vraag volgt een glasharde ontkenning. Dan gaat de mobiele telefoon van een vriend, die in de zaal zit. De verdachte kijkt boos om en sist hem iets toe. De vriend wordt vuurrood en zoekt zenuwachtig naar zijn mobieltje. 'De bode heeft het nog zo gezegd: telefoons uit. Moet ik u soms uit de zaal laten zetten?' vraagt de rechter geïrriteerd. 'Excuus meneer', zegt de vriend -zijn ogen naar de grond gericht.
De jongen vertelt dat hij net een ongeluk heeft gehad. 'Ik was bijna dood.' Het blijkt om een steekpartij te gaan. 'Een mes in mijn keel. Daardoor kan ik niet meer goed praten. En ik ben bang.' Hij heeft een voorgevoel dat hem iets ergs gaat overkomen. Hij komt zijn huis niet meer uit. Zonder zijn vriend had hij vandaag niet durven komen.
De rechter acht hem schuldig. De jongen schudt zijn hoofd, maar zegt niets. Zijn vriend loopt naar hem toe en legt een arm om de schouder van de jongen, die schichtig om zich heen kijkt. Zo lopen ze samen de zaal uit.

