Het was een diner met gasten die veelal tien jaar jonger waren dan ik, mensen van midden twintig tot dertig. Ze vonden dingen. Van het land, van de politiek, van waar het naar toe moest. Ze waren bevlogen: in hun relatie, hun baan, hun wetenschappelijk onderzoek.Ik keek en surfde op hun opwinding.
Ik moest ook iets vertellen, zo gaat dat bij diners. En ik vertelde een anekdote waarin mijn man figureerde. Het was een vaak verteld en precies lang genoeg verhaal en men lachte. Bij het dessert kwam mijn vriend nog even terloops ter sprake.
Na afloop kwam mijn tafelheer naar mij toe. Hij had het niet willen vragen aan tafel, zodat alle gasten het hoorde, maar hij was geintrigeerd: had hij het goed begrepen en had ik dus en een echtgenoot, en een vriend?
Ik moest hem teleurstellen. Zo intrigerend was ik niet. De enige reden dat ik het weleens over 'mijn man' heb, is dat ik 'partner' te lesbisch vind klinken en 'vriend' te inwisselbaar voor een man die al 21 jaar aan mijn zijde is.
'Waarom trouw je dan niet?' vroeg de twintiger.
'Ik heb 'm al drie keer ten huwelijk gevraagd, maar hij heeft geweigerd.'
'Dat is ook best intrigerend', troostte hij me.


Reacties (3)
Nooit bij stil gestaan dat partner te lesbisch klonk...
Marion Pannekoek | 15 oktober 2009 15:59
Prachtige laatste zin. Wat een goeie tafelheer!
Eva | 15 oktober 2009 21:05
nu is hij aan de beurt voor een aanzoek!
jc | 17 oktober 2009 0:13