Utrechtse binken in Roffa

‘Roffa, here we come!’ schreeuwt een jongen van een jaar of veertien met zijn vrienden. Het is elf uur ’s avonds en de trein gaat van Utrecht naar Rotterdam. Tot hun komst was deze coupe leeg. Net op het moment dat ik mijn boek uit mijn handtas viste, kwam dit elftal binnenstormen.

De groep jongens, allemaal van Antilliaanse afkomst, is uitgelaten als een stelletje jonge stieren. Ze lopen heen en weer tussen de stoelen, ze duwen elkaar om, pakken petjes af van de ene en geven die door aan een volgende, ze lachen om foto’s en muziekjes die ze op hun telefoons laten zien. Hun reeds gerolde jointjes houden ze in de aanslag.

Ik overweeg niet eens om hen te attenderen op letters SSSssT van de stiltecoupe. De hormonen spuiten uit hun oren. Ze hebben het over meisjes en ze benoemen alle seksuele handelingen waarvan ze ooit hebben gedroomd.

Het aantal decibellen zwelt nog steeds aan. Dan roept de drukste van het stel: ‘Stil man, Jeffrey moet bellen.’ Het wordt muisstil in de coupe. ‘Dag mam (…). Nee, ik ga niet uit in Rotterdam. Ik ben bij Joshua, in Houten (…) Nou gewoon, een beetje
chillen (…). Doe ik. Tot morgen.’ Op het moment dat hij ophangt, juichen de jongens. Ze boksen met hun rechtervuist tegen de vuist van Jeffrey. Hij is ‘in’.

Ik zit nog steeds met mijn boek op mijn schoot. Opeens zegt een magere jongen dat ze iets zachter moeten doen. Er is ook nog een mevrouw –hij wijst op mij- die wil lezen. ‘Ben je dronken ofzo, dat je zo beleefd bent’, schampert zijn buurman. De roman heb ik allang opgegeven. Ik kijk naar hen en ik vraag waar ze naar toe gaan. ‘Hollywood!’ roepen ze met zijn allen.

‘Gaat u nog iets leuks doen vanavond?’ vraagt de beleefde jongen. Hij wacht mijn antwoord niet af. ‘U moet uw boek natuurlijk nog uitlezen.’ Met een knikje maakt hij zich uit de voeten en sluit zich snel aan bij zijn vrienden die net een minuut voor aankomst op Rotterdam Centraal staan te blowen in het halletje van de trein.

Ik moet me inhouden om ze niet allemaal een aai over hun bol te geven, deze binken van veertien.

Mooie mannen

Soms moet je naar andere oorden reizen om alles wat je thuis als vanzelfsprekend aan hebt genomen weer op waarde te kunnen schatten. Ik ben net twee weken naar Sardinië geweest. De kustlijn van dit Italiaanse eiland was ruig, de sfeer bij de oude nederzettingen was mythisch, de stranden waren gerieflijk, de natuur was prachtig, het eten was goddelijk. Maar mijn hemel, wat waren de mannen lelijk.

Grofweg kent de Sardische afstotelijkheid twee hoofdcategorieën. In de eerste groep zagen de mannen eruit alsof ze generaties lang niet uit hun grot waren gekropen. Ik geef onmiddellijk toe: wij verbleven in een van de armste streken van Sardinië waar mensen met enig talent zich allang uit de voeten hadden gemaakt. Hier waren de mannen gedrongen en vele hadden angstaanjagend domme koppen. De meeste waren daarbij ook nog dik. Hun gelaatstrekken waren rauw, met diepe groeven en hoekige lijnen. Het half jaarlijks tandartsbezoek is in deze groep vaker bij ingeschoten, afgaand op de ronduit anarchistische stapeling van stompjes en tanden op hun kaken. Al met al verried het uiterlijk van deze mannen de eeuwenlange isolatie van het eiland: er was weinig genetisch materiaal bijgekomen dat zou kunnen bijdragen aan verfijnde trekken of ranke gestalten.
Dan was er een tweede categorie. In de kleine steden zaten mannen op terrasjes die hun wenkbrauwen tot ragfijne streepjes hadden laten epileren, die de boordjes van hun roze poloshirt omhoog lieten staan en die onder hun spiegelgladgestreken pantalons schoenen met gouden versieringen droegen.

Die lelijkheid mag opvallend zijn, maar nog frappanter aan de 800.000 mannen op Sardinië is de eenvormigheid. De heren zijn, vrijwel zonder uitzondering, Sardanisch. Ik heb in die twee weken niet een blonde Scandinaviër ontmoet, of met een Aziatische of Zuid-Amerikaanse man gesproken. Het waren uitsluitend mannen uit families die eeuwenlang op  Sardinië wonen. In de hoofdstad heb ik drie zwarte mannen geteld. Drie. Tot zover de variatie op dit eiland.

Dan Rotterdam. Vandaag fiets ik langs de terrasjes. Knappe mannen, overal waar ik kijk. Aan elk tafel is een ander continent vertegenwoordigd: vooraan zitten een paar mannen met Noordafrikaanse roots, daarnaast Surinaamse jongens, verderop nog Japanse toeristen en zo verder. Deze mengeling stemt mij hoopvol: we zullen –genetisch gesproken- nooit een doodlopende straat zijn. Dat doet ons goed. We worden almaar mooier.

Columns
AD RotterdamsDagblad.
> lees verder
Loutermail:
willemijn.dicke@gmail.com
Feeds:
atom/rss